Tagarchief: Ruud Ketelaar

vaarwel, Ruud Ketelaar

Het werd zijn allerlaatste tweet: ‘De mijne komen er niet. Lig de hele dag misselijk op de bank …’ Ruud twitterde dit naar mij en @puntann, afgelopen zondagmiddag. We hadden het over de blogs die Ruud had willen schrijven die dag: drie stuks maar liefst. De blogs kwamen er inderdaad niet. Nooit meer. Ruud overleed maandagavond 11 april 2016. Ik heb een goede vriend verloren.

Ruud leerde ik kennen via Twitter, #blogpraat om precies te zijn. Dat was rond 2010. Zomer 2013 troffen we elkaar voor het eerst IRL, op de Parade. En daarna nog twee keer tijdens de befaamde twitterlunches van @Puur in Utrecht. Het contact werd intensiever toen ik eind 2014 een huis kreeg aangeboden in Lunetten. Ik kende de wijk niet – zou het wel iets voor mij en mijn kinderen zijn? Ik vroeg Ruud of hij me er meer over kon vertellen. Dat deed hij, op een zondagmiddag bij hem thuis. Ik kreeg alle ins & outs van de wijk te horen, op de voor hem kenmerkende manier: briesend over de apotheek, spottend over de Lunettense horeca – maar vol lof over de kameraadschap en de laagdrempelige contacten in de wijk. Ik verhuisde en Ruud was mijn eerste Lunettenmaatje. Ik leerde #zaterdagsoepdag kennen: soep maken voor jezelf én voor een paar wijkgenoten. Ruud en ik hebben heel wat soep voor elkaar gekookt. Toen Ruud in de zomer in het ziekenhuis terecht kwam, gingen we met wat maatjes uit de wijk regelmatig bij hem op bezoek. Een maand later was hij weer thuis. Om beurten kookten we voor hem met wijkgenoten. Of we deden boodschappen. Voor hem deed je dat. Omdat hij geen zeurende patiënt was. Hij had een rotlichaam, zoals hij het zelf noemde. Maar met een wonderbaarlijke veerkracht kwam hij er altijd weer bovenop. En als ik dan weer met een pannetje soep of een tupperwarebakje couscous bij hem aanklopte, gingen de gesprekken nauwelijks over zijn voet, hart of diabetes. Nee, we hadden het over het leven en over de liefde. Over boeken en politiek. Of over chillende zoons en andere puberperikelen.

Ruud had altijd een mening. En die mening stak hij niet onder stoelen of banken. Niet op twitter en niet in zijn blogs. Lag hij in het ziekenhuis, dan kregen de artsen ervan langs wegens de haperende communicatie. De laatdunkende tweets over #dwdd zijn bijna niet te tellen (‘Is er ook maar de geringste mogelijkheid dat Matt Hijs, Nico en de complete redactie van #dwdd het overlijden van David Bowie hebben gemist?’ ‘Mijd je #dwdd als de vliegende tering, wordt het item voor item op Twitter herhaald. PLEURT OP!!!!’). Zijn twittervolgers herinneren zich zijn laatste verbeten strijd: dat was tegen het referendum op 6 april. Onvermoeibaar slingerde hij zijn ‘stem niet, vecht zelf!’-tweets onze timeline in. Hij was scherp en soms ‘virtueel ongezellig’.  Dit kwam hem zo nu en dan op nare, hatelijke reacties te staan. Zo hatelijk, dat hij enkele keren stopte met twitter. ‘Stil van …’ stond een keer wekenlang als laatste tweet in zijn timeline. ‘Ik stop misschien wel met Twitter,’ zei hij soms tegen me. ‘Al die haat en nijd. Het is niet meer zoals vroeger.’ Maar hij kon het twitteren niet laten. Hij had er zóveel gesprekken, deed er zoveel nieuwe contacten op. Via Twitter regelde hij, vanuit revalidatiecentrum De Hoogstraat, de klussers voor zijn nieuwe appartement. Via Twitter kocht hij kunst. Via Twitter leerde hij mensen kennen met wie hij warme, vaak virtuele vriendschappen opbouwde – het zou me niet verbazen als Ruuds Twitteraccount bijna net zoveel DM’s als tweets bevat …

Ruud blogde vaak en graag. Over proza en poëzie. Over muziek. Over zijn zieke lijf. En over concerten en voorstellingen die hij bezocht. Over dat bloggen spraken we vaak. Ik ben gewend mijn teksten af te stemmen op mijn doelgroep. Ruud deed dat niet. En dus schreef hij gerust blogs van 2000 woorden of meer. Hij was er stellig over: ‘Ik blog niet voor anderen. Ik blog voor mezelf.’ Een eye-opener voor mij als beroepsstukjesschrijver.

Ook ik kan makkelijk tot 2000 woorden doorgaan bij het schrijven van dit in memoriam. Ik heb bijvoorbeeld nog niets geschreven over het huiskamerconcert van @lavalu, vorig jaar op Ruuds verjaardag. Over de theatervoorstellingen die Ruud en ik bezochten (twee weken geleden nog gingen we naar het Scapino Ballet in de Stadsschouwburg). Over de middag dat we de stad in gingen om cadeautjes te kopen voor mijn zoon die achttien werd. En over de Koot & Bie-dvd-avond die we samen voor onze wijkgenoten organiseerden. Er zijn zóveel mooie herinneringen; teveel om hier te noemen.

Twee dingen vind ik nog wél belangrijk om te vermelden. Punt één: Ruud was lief voor me als ik dat nodig had. We zagen elkaar beslist niet dagelijks, maar hadden veel contact. Mijn eerste maanden in Lunetten waren bepaald niet makkelijk. Ruud voelde dat. Als we appten kon het zomaar zijn dat hij aankondigde: ‘Ik kom eraan.’ Tien minuten later zat hij bij mij op de bank – Ruud aan een AV’tje (als ex-probleemdrinker nam hij alleen alcoholvrij bier), ik aan de wijn. Ik herinner me een langdurige reis per OV, tijdens welke ik erg somber was. Ruud en ik appten de hele weg tot aan mijn voordeur, waarbij hij me allerlei opbeurende YouTube-filmpjes stuurde. Het raakte me diep.

En dat brengt me op punt twee: Ruud maakte deel uit van mijn ‘framily’; een lelijk woord dat staat voor vrienden die een soort familie van je worden. Sinds ik alleen woon, leef ik anders. Ik heb geen man thuis op de bank zitten die me gezelschap houdt – dat gezelschap moet ik zelf opzoeken. En dat gold ook voor Ruud. Wij vonden elkaar hierin. In praktische zaken (even soep voor elkaar koken) en in de gesprekken die we voerden. Ruud was een vrije geest, wars van hokjesdenken. Hij scherpte mijn geest.

DAMN. Wat zal ik hem missen.