stiefmoedercolumns (1)

Van 2008 tot 2013 schreef ik columns voor Stichting Stiefmoeders. De stichting is sinds vorig jaar gefuseerd met stichting Nieuw Gezin. De columns zijn dus offline. Jammer. Sinds mijn relatiebreuk in oktober 2014 is het stiefgezin voor mij verleden tijd. Maar ik heb er mooie herinneringen aan. Mijn meest dierbare stiefmoedercolumns geef ik nu een plek op mijn blog, in het mapje ‘stiefgezin’. Steeds met vijf of zes columns tegelijk. Stiefmoeders en -vaders: veel leesplezier! 

 

Twee eenoudergezinnen onder één dak

Het is net een echt gezin – maar in werkelijkheid bestaat de patchworkfamily uit twee eenoudergezinnen onder één dak. Dat dak ligt echter bovenop een eengezinswoning. Projectontwikkelaars bouwen namelijk geen huizen voor samengestelde gezinnen. Zij bouwen vooral voor het ideale kerngezin: één vader, één moeder en twee kinderen. Best gek in een tijd dat 500.000 kinderen opgroeien in een stiefgezin en Nederland 250.000 samengestelde gezinnen telt. Ik vertrouw erop dat deze cijfers over 25 jaar tot de bouwwereld zijn doorgedrongen. Intussen modderen wij met ons mikadogezin voort in onze krap bemeten zeskamerflat.

Oké, ieder kind heeft een eigen kamer. Maar daarmee is alles gezegd: met kind, bed en kast is de ruimte geheel gevuld. Over de keuken kan ik kort zijn. Ik heb wel eens mooie fantasieën – over een kookeiland met vijfpits gasfornuis, een stoer hakblok, een gezellige bar en een aanrecht waarop je zomaar zes borden naast elkaar kunt plaatsen. Helaas blijft het bij dromen – de realiteit is dat de keukendeur een groot deel van de dag wordt geblokkeerd door de openstaande vaatwasmachine, en dat de twee meter verderop gelegen balkondeur niet open kan als iemand iets uit de koelkast pakt. In de ruimte tussen beide witgoedapparaten is het nét mogelijk een eenpansmaaltijd te bereiden. En daar laat ik het dan ook meestal bij. Met z’n zessen tandenpoetsen aan het begin van de werkdag? Een onmogelijke opgave in de douchecel van vier vierkante meter, waarover dochter eens verzuchtte: ‘De wc bij Sanne is groter dan onze badkamer.’

Een eigen plek voor stiefmoeder, waar zij zich even terug kan trekken om zich te bezinnen op haar dankbare rol en verantwoordelijke taak? Die is er niet. In de huiskamer – waar de tv op luide toon TMF-clips en de laptop met dito volume Youtubefilmpjes uitbraakt, terwijl het enige kind bij wie de kunst- en cultuuroverdracht wel is gelukt intussen haar pianolessen oefent – is ontspanning slechts geblinddoekt en met wasbolletjes in de oren mogelijk. Voor mij echter betekent ontspannen een goed boek lezen, met lome jazz uit de stereoset. Niet te doen bij de geluidseruptie in de woonkamer. En daarom trek ik me noodgedwongen met mijn boek terug in de koude slaapkamer, terwijl de man, gezeten in het halletje, zijn heil zoekt achter de pc – ingeklemd tussen kapstok en schoenenrek.

Verhuizen dan maar? Tja. Elk kwartaal hebben mijn lief en ik wel weer een Funda-oprisping. We weten het allang, maar klaarblijkelijk moet het keer op keer bevestigd worden: een huis voor een groot gezin in de wijk waar we nu wonen is onbetaalbaar. Vinexwijken zijn niet aan ons besteed; de stad willen we niet uit. En dus schikken we ons in ons lot. Nog maar zes jaar. Dan gaat het eerste kind op kamers.

Niet allemaal van mij

Ze zijn niet alle vier van mij, hoor!’ Voortdurend voel ik de neiging me te verontschuldigen, die eerste maanden van ons samengestelde gezin. Lopen we met de voltallige kinderschaar door een pretpark? Dan is het in mijn beleving of ieder hoofd zich naar ons omdraait. ‘Wow, die heeft veel kinderen gebaard!’, denken al die mensen. ‘En zo snel achter elkaar!’ Komt een moeder van een spelend vriendinnetje haar kind halen, dan ratel ik binnen een halve minuut het noodlottige verhaal af van mijn scheiding, de nieuwe man, de stiefdochters die niet bij hun moeder wonen, dáárom heb ik zo’n groot gezin – echt, het was geen bewuste keus … Nu, een paar jaar verder, leg ik niets meer uit. Ik heb geen zin om steeds te benadrukken hoe anders en bijzonder wij zijn. Het leven van een mixed familyis al complex genoeg.

Maar helpt het, dat ik niets meer uitleg? Het maakt me stoer. Het past helemaal bij mijn niets-aan-de-hand-houding. Toch wil ik diep in mijn hart dat mijn omgeving zonder tekst en uitleg zíet wat voor opgaaf het is. En dan vooral de mensen die echt om me geven. Zodat ik mijn verhaal kwijt kan. Even geen mooi weer spelen over ons gezellige, harmonieuze lifestylemagazine-gezin. Natuurlijk is het leuk om te horen dat we het zo ‘gewéldig’ doen. Dat we ‘net een echt gezin’ zijn. En dat de kinderen het zóóó met mij getroffen hebben. Maar iedereen roept het zo enthousiast, dat ik tussen de regels door hoor: ‘En waag het niet om te roepen dat het moeilijk is!’ Nee, de omgeving zit niet op lastige verhalen te wachten. Vriendinnen – en dan het liefst vriendinnen die ook zo attent waren te scheiden en een nieuw gezin te starten – voelen het meest met me mee. Die weten precies wat ik bedoel. Zij begrijpen hoe zwaar het is dat je veel minder tijd hebt voor je eigen schatjes, omdat je je aandacht nu over vier opgroeiende mensjes moet verdelen. En hoe het voelt als je op Moederdag niet je eigen kinderen (want volgens de weekeindregeling bij hun vader), maar de stiefkinderen aan je ontbijttafel hebt zitten. Mijn ‘stiefvriendinnen’, partners in crime, zijn goud waard.

Misschien was die verontschuldiging uit de begintijd zo gek nog niet. ‘Ze zijn niet alle vier van mij’: het  verklaart een heleboel!

Twee flatjes

‘We verkopen gewoon het huis. En dan gaan we allebei weer op een flatje wonen.’ Eens per jaar, meestal tegen de Kerst (moegebeukt door het schrijven van honderden kerstkaarten, de surprises die voor school en het familiesinterklaasfeest geknutseld dienen te worden, het in een grote soeppan leegscheppen van vier jampotten omdat die de volgende dag dringend nodig zijn voor het ververvaardigen van sfeervolle kerstverlichting voor het schooldiner, de tot gekmakens toe irriterende viool- en triangelklanken tijdens gehaaste supermarkt- en warenhuisbezoeken), zijn we elkaar en ons doe-het-zelfgezin zó zat, dat we met de ruggen naar elkaar toe onze respectievelijke laptops openklappen en een simultaan bezoekje brengen aan De Grootste Huizensite Van Nederland. Terug naar de eenvoud. Terug naar de vierkamerflat. Grimmig bekijk ik foto’s van appartementjes met schoongepoetste laminaatvloeren, hippe inbouwkeukens en badkamers die níet overwoekerd worden door vuile kinderkleren en her en der verspreide natte handdoeken. O, wat een zegen, zo’n leeg en overzichtelijk huis! Wat een verschil met onze woning, waarin iedere ruimte is volgestouwd met speelgoed, boeken, belangrijke papieren, katten, kinderen en andere parafernalia die twee mensen die elkaar liefhebben menen te moeten verzamelen. Met dromerige ogen staar ik naar een strak leren bankje met bijpassende kussentjes. Salontafel ernaast, designvaas erop. Wat zou ik daar heerlijk in mijn eentje kunnen zitten! Krant erbij, koffie onder handbereik, slechts twee kinderen om me heen – die daar, in die andere wereld, om negen uur ’s avonds natuurlijk allang te bedde zouden liggen. Wat een zegen lijkt me dat. Ik teken ervoor.

‘Een wijntje, schat? Kaasje erbij?’ Mijn lief heeft zijn laptop al afgesloten en zet twee glazen neer. Hij bezit het talent om snel te vergeten. Echtelijke kiftpartijen, dochterdiscussies, rechtszaken: het is even vervelend, maar daarna leeft hij opgewekt weer verder. En dat tegenwicht, die stabiele factor, da’s nou precies wat ik nodig heb. Voeg daarbij de bonte stoet aan ex-, schoon- en doorsnee familieleden die van harte welkom zijn in onze woning, de klasgenootjes uit alle lagen van de samenleving die vrolijkheid en reuring brengen in ons huisgezin, en ik heb ineens totaal geen behoefte meer aan die doodstille gepolijste showroomwoning. Samen zijn, dat is wat ik wil. Die rust en keurigheid komt gauw genoeg. Als de kinders het huis uit zijn.

Oma

Onvoorstelbare aantallen kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen noemt oma aan iedereen die het maar horen wil. De vensterbank en buffetkast in haar kleine woning staan volgepakt met foto’s, de verjaardagskalender is regel voor regel beschreven. Iedere neef, stiefkleinzoon en aangetrouwde achternicht staat op de kalender vermeld en krijgt een zelfgemaakte ansichtkaart van oma. Oma, die mijn oma niet is. En ook niet de oma van mijn lief – ze is zijn moeders stiefmoeder. Maar iedereen noemt haar ‘oma’. En al haar familie is haar even lief. Zodra ik in haar leven verscheen, hoorde ik erbij. Direct werd ik tot kleinkind, mijn kinderen tot achterkleinkinderen benoemd. Nog geen week later waren we toegevoegd aan de portrettengalerij. Onze namen werden niet kinderachtig met potlood, maar ferm met onuitwisbare inkt op de toch al zo dichtbevolkte wc-kalender bijgeschreven. Hop! Iedereen hoort erbij! Bewonderenswaardig hoe oma de leeftijden van alle (stief)achterkleinkinderen kent. Met nauwgezette precisie houdt ze hun schoolprestaties en lichamelijk welzijn bij. Twee keer per maand belt ze ons op, de dag na Sinterklaas ligt haar kerstkaart op de mat. En is een kind van de fiets gevallen, dan is zij de eerste die bezorgd de telefoon pakt.

Oma is een ervaren stiefmoeder. Vanzelfsprekend pakte ze het vijftig jaar geleden heel anders aan dan hoe ik het nu doe. Zo rustte zij niet voordat het stiefkroost ‘ma’ tegen haar zei. Geen stiefmoeder in deze tijd zou zich daaraan wagen – je hebt maar één moeder, nietwaar? De huidige stiefmoeder is veelal een gescheiden vrouw, vaak zelf ook moeder. En is ze dat niet, dan heeft ze in elk geval te maken met niet-flexibele agenda’s, bezoekregelingen, exen die zelf ook weer gezinnen stichten en andere ingewikkeldheden. Nee, dan in oma’s tijd: toen was het stiefmoederschap nog overzichtelijk. Je trouwde met een weduwnaar en kreeg er zonder pardon een schare stiefkinderen bij. En dat accepteerde je gewoon. Punt uit. Vast en zeker hadden deze stiefmoeders hun onzekerheden en hun narigheid –  diep weggestopt. Ideaal was anders, denk ik.  Maar oma deed het toch maar mooi.

Daadkracht. Dat kenmerkt oma. Ze is niet opdringerig, haar open houding getuigt van een gastvrijheid waar menig stiefmoeder, ik in de eerste plaats, wat van kan leren. Geen ‘eigen volk eerst’. Geen verontwaardigd gekakel met vriendinnen over de moeilijke positie van de bonusmoeder. Geen therapeuten, geen praatgroepen, geen gejeremieer op internetfota. Niks van dat al – doorpakken en niet klagen. Oma neemt iedereen zoals hij of zij is. Zonder er kille, afstandelijke voorvoegsels aan vast te plakken. Ik ben nog niet zover als zij. Nog láng niet.

Stiefmoeder-zonder-kinderen

Stiefmoeders die zelf geen kinderen hebben hoor ik regelmatig fulmineren over hun bonuskinderen – per definitie labiele, ontaarde, slecht opgevoede mormels, zónder manieren en mét overgewicht. Ik denk dan wel eens stiekem bij mezelf: ‘Wat klaag je over dat éne weekeindje per twee weken? Twaalf dagen lang zit je elke avond, in een opgeruimd huis, aan een niet-plakkerige tafel, bij kaarslicht exquise hapjes te verorberen, waarna je je met een glas wijn in de hand samen met je nieuwe vent op de bank vlijt, niet gestoord door bruusk binnenrennende kinderen die in bed geplast/ hun huiswerk vergeten/ gebraakt/ akelig gedroomd hebben. En dan zuchten en steunen over die paar daagjes in de maand? Kom op, mens!’ Dat denk ik dan. Heel heimelijk.

Voordat de stiefmoeders in kwestie woedend afhaken: ik ben van gedachten veranderd. We worden allemaal ouder en wijzer, nietwaar. Ik zal het nog wat zwaarder aanzetten: ik voel zelfs diep respect voor deze moedige zusters. En eigenlijk komt dat door de stiefmoeder van mijn kinderen. Geen echte stiefmoeder trouwens – het is namelijk een man. De man van mijn exgenoot. Ook kinderloos, net als die stiefmoeders-zonder. Door zijn ervaringen vallen de schellen me van de ogen. De verhalen na zijn eerste vakantie met de kinderen bijvoorbeeld: ‘Ik vond het zó wennen. ’s Avonds konden we geen ommetje maken omdat zij lagen te slapen. Niet even spontaan het dorp in. Ze waren er áltijd. Voortdurend die kinderen om me heen.’ Wat kon ik me goed voorstellen dat hij geen zin had om mee te gaan naar pretpark HappyLand. En dat terwijl het om mijn eigen nazaten ging. De meest voorbeeldige kinderen op aarde.

Zijn inzet voor de kinderen is tomeloos. Hij vindt ze namelijk leuk. Hij koopt kleren voor ze. Zet krullen in mijn dochters haar. Staat met snoepkettingen langs de straat tijdens avondvierdaagsen. Gaat mee naar muziek- of toneelvoorstellingen. Loopt over het schoolplein tijdens de fancy-fair. Haalt friet met frikadellen op kinderfeestjes. Bemoeit zich onvermoeibaar met het douche- en tandenpoetsbeleid. Kortom, hij neemt de kinderen op in zijn leven. Net als al die andere stiefouders zonder eigen kroost. Het valt niet mee om vanuit het niets ineens zo frequent die totaal vreemde wezentjes om je heen te hebben. Veel moeilijker lijkt me dat dan wanneer je zelf al een paar kinderen op de wereld hebt gezet. Je krijgt immers niet die roze bril erbij waardoor iedere biologische ouder zijn nageslacht bekijkt. Die bril die verbergt dat het kind een brutale, ontaarde en ongemanierde snotaap is. Zie daar maar eens mee om te gaan. Petje af.

 

Deze columns verschenen tussen 2008 en 2013 op de site van Stichting Stiefmoeders

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *