Categoriearchief: vriendschap

de latte-factor

‘Wat is jouw latte-factor?’, stond vorige week op de scheurkalender die aan mijn wc-deur hangt. De latte-factor? Nooit van gehoord. Ik las de uitleg op de achterkant van het kalenderblad. Aha: de latte-factor is de optelsom van kleine bedragen die je uitgeeft. Denk aan koffie, een broodje, een glas wijn op een terras. ‘Door je bewust te worden van je kleine uitgaven kun je op de lange termijn flink wat geld besparen,’ tipt de Psychologiekalender. Als ik meer informatie zoek over dit boekhoudkundige bedenksel, kom ik op de website van het Nibud uit. Lees meer over de Latte-factor in dit artikel van het Nibud

Tuurlijk, de financieel deskundigen hebben gelijk. Als je geen broodjes, bier en bitterballen buitenshuis consumeert, houd je maandelijks geld over. In mijn geval zal dat een leuk bedragje zijn. Maar o, wat ademt de latte-factor een benepenheid uit! Hollandse zuinigheid ten top. Want die kop koffie of lunch buiten de deur is toch véél meer dan enkel een kostenpost?

Mijn opa Leever was kind aan huis bij de horeca. Tot hij trouwde, zo rond zijn 35e, at hij dagelijks de warme maaltijd bij zijn Amsterdamse stamkroeg de Poort van Cleve (het bestaat nog altijd). Heerlijk toch? Net als hij mag ik me graag onder de mensen begeven. En dan ga ik niet op een droogje zitten. Ik denk er niet eens bij na: ga ik de deur uit, dan drink ik koffie op de plek waar het me uitkomt. Ik ben niet rijk, ben beslist geen big spender, maar latte-uitgaven zijn me meer waard dan nieuwe schoenen of een verre reis. Het uitzicht vanaf een terras op het Wed, de Mariaplaats of de Oosterkade. Het geroezemoes en gelach om je heen. De onverwachte ontmoetingen en inspirerende ingevingen. Het geluid van rinkelende fietsbellen, het lentebriesje op je huid tijdens een goed gesprek. Dit alles zou ik voor geen goud willen missen. Bijpraten met vrienden doe ik dan ook meestal in de stad. Ook zakelijk spreek ik regelmatig af in een restaurant of op een flexwerkplek. En ja, dan betaal je voor je cappuccino’s. De lunch, de borrel – inderdaad, je krijgt er een rekening voor. Maar dat is toch logisch? Dienstverlening kost nou eenmaal geld. Je krijgt er toch ook iets voor terug?

Ik voel er weinig voor om thuis op de bank triomfantelijk te gaan berekenen hoeveel geld ik bespaar als ik niet meer de stad inga. Voor mij symboliseert de latte levensvreugde, vriendschap en sociale contacten. En dat zijn factoren waarop ik liever niet bezuinig.

 

de zegeningen van de saaiheid

Nieuw is spannend. Oud is saai. En dus vind ik het elke zomer nodig twee of drie nieuwe jurken te kopen – alsof dat jurkje met aardbeienprint nou zo wezenlijk anders is dan het exemplaar met kersenprint. Wéér bekijk ik dromerig verschillende websites met vakantiebestemmingen. Opnieuw maak ik allerlei plannen. Plannen maken is leuk. Dromen is fijn. Van het onbekende gaat een magische aantrekkingskracht uit. Nadenken over een innovatie, over een nieuw bedrijf of nieuwe dienst … wat fantastisch is die brainstormfase. Fonkelende ogen, woorden die over elkaar heen buitelen, slordige aantekeningen met een veelbelovende inhoud. Idem in de liefde. Die eerste date, de eerste zoen,  de gedichten, de rozen, de witte wijn, de vioolmuziek. Nieuw is verdovend. Nieuw is mooi.

Maar de glans gaat eraf. Onherroepelijk. In het aardbeienjurkje zit een haal van de kat. Tegen de verse gesausde muren in mijn woning zijn muggen doodgeslagen. Het huis moet iedere week gedweild. Het innovatieve bedrijf en de geïmplementeerde cultuuromslag zijn op een dag niet meer zo vernieuwend – beheer en onderhoud zijn minstens zo belangrijk. En ook liefde en vriendschap vragen om onderhoud. Nieuwsgierigheid maakt plaats voor weten. De spannende verscheidenheid wordt ingeruild voor onbegrip. Daar komt bij dat ‘nieuw’ heus niet altijd leuk is. Je wordt er soms zo hyper van. Oud mag saai zijn, maar het geeft ook rust. Hoe fijn is het om elke avond weer m’n eigen vertrouwde huis binnen te stappen. Met dezelfde lieve huisgenoten. Om al jarenlang hetzelfde leuke werk te doen. En dezelfde vertrouwde vrienden om me heen te hebben.

Ik kan wel eens afgunstig luisteren naar vrouwen die zuchten dat hun man alwéér niet gestofzuigd heeft. Of met vochtige ogen kijken naar stellen die ik jaar in, jaar uit in met dezelfde caravan achter de auto dezelfde straat uit zie rijden – om naar telkens weer hetzelfde land op vakantie te gaan. Met hetzelfde beddengoed dat geurt naar het vertrouwde waspoedermerk. En met dezelfde gehaakte toiletrolhouder op de hoedenplank. Mijn leven is aangenaam afwisselend, maar we vergeten nog wel eens de diepere betekenis van sleur. Daarom draai ik nu, op deze heel gewone tweede pinksterdag, één van mijn lievelingsliedjes van Claudia de Breij: sleur met jou. Voor mezelf, maar ook als opstekertje voor de langdurig samenwonende setjes om me heen die vinden dat hun relatie saai en sleets is. Count your blessings. 

 

mislukt

‘Wat is uw grootste mislukking?’ is de vraag van de week in het zaterdagse katern Tijd van Trouw. Mijn antwoord heb ik gisteren al aan de krant verzonden. Maar omdat je van Trouw slechts 120 woorden mag gebruiken, borduur ik hier nog even voort op het onderwerp. Mijn blogs mogen gelukkig zo lang worden als ik zelf wil. Ik zal me inhouden, maar over het onderwerp ‘falen’ kan ik eindeloos doorschrijven. Het imperfecte, het onaffe, de mislukking (wat is dat eigenlijk?) – ik kan me er veel meer mee identificeren dan met het succesverhaal. Met mensen die altijd lachend door het leven lijken te gaan. Die ongegeneerd opscheppen over hun perfecte kinderen, die mooi en intelligent zijn én in het begenadigdenklasje van de hockey zitten (dat klasje heeft een naam, maar die vergeet ik altijd). Mensen die natuurlijk nog steeds gelukkig samen zijn met hun jeugdliefde. Die drie keer per jaar met vakantie gaan. Die nooit geconfronteerd lijken te worden met ziekte of dood. Die leuke banen hebben en wooncarrière maken. Ze zijn inmiddels toe aan een twee-onder-één-kap, mijn generatiegenoten.

Ik realiseer me dat deze opsomming naar kinnesinne kan rieken. Maar zo is het niet bedoeld. Ik gun het ze, echt. Maar ik voel me veel meer verwant met hen die het ogenschijnlijk stukken minder voor elkaar hebben. Met mensen die de mislukking kennen.

Bestaat dat eigenlijk wel, ‘mislukt’? In mijn leven zijn diverse zaken anders verlopen dan ik van te voren had bedacht. Lang geleden trouwde ik – dat huwelijk is al jaren voorbij. En ook de relatie die daarop volgde is, zoals dat genoemd wordt, ‘mislukt’. Maar wat is dat, een mislukte relatie? Wanneer is een relatie gelukt? Als je bij elkaar blijft? Als je samen oud wordt? Volgens mij kunnen vriendschappen of (liefdes)relaties helemaal niet lukken of mislukken. ‘Lukken’ betekent dat je succesvol je doel hebt bereikt.

Voor je rijbewijs kun je slagen. Je kunt je opleiding succesvol afronden. Een offerte uitbrengen en de klus krijgen. Je kunt een ingewikkeld Jamie Oliver-recept uitproberen, twee uur in de keuken staan en uiteindelijk een gerecht serveren dat er precies zo uitziet als op het plaatje. In al die gevallen kun je spreken van ‘gelukt’. Een relatie echter blijft altijd hard werken. Het is nooit klaar. Tenzij je elkaar niet meer gelukkig maakt. De relatiebreuk betekent in dat geval een nieuw begin. Je gunt elkaar een nieuwe start. En dat noem ik bepaald geen mislukking.

Succesverhalen maken mensen moedeloos. Als ik tien minuten naar gebluf geluisterd heb, raak ik verveeld. Ik prijs me gelukkig met mensen om me heen die hun flaters ruimhartig met me delen. Ik doe dat ook met hen. Mijn twijfels, mijn angsten, mijn onzekerheden, ja, zelfs mijn mislukkingen.

Het Trouw-artikel noemt boektitels die je leren om je mislukkingen om te buigen naar succeservaringen. Klinkt goed, maar ik betwijfel of je wel altijd van je fouten leert. En ach, is dat zo erg? Falen levert je in elk geval verhalen op. Sterke verhalen wellicht. Maar ook kwetsbare verhalen. En die zet je niet zo snel in de krant.

2016 in vier woorden

Geloof, hoop, liefde en tijd. Dat zijn voor mij de sleutelwoorden voor 2016. Ik gebruik ze als kapstok bij mijn terugblik op het jaar. En dan begin ik met het lastigste woord: tijd. Of liever gezegd – het gebrek eraan.

Ik geloof dat het niet voor niets was dat ik mijn horloge afgelopen zomer verloor. Een paar uur later vond ik het kapotgetrapt terug op de stoep van een winkel. Dit horloge, dat ik kreeg van mijn moeder, is me zeer dierbaar. Mijn moeder kreeg het van mijn vader op hun verlovingsdag. Omdat mama het klokje te los om haar pols vond zitten, gaf ze het op mijn achttiende aan mij. Sindsdien heb ik het altijd gedragen. Het was dus een schok om het kwijt te zijn. Gelukkig vond ik een uitstekende horlogemaker die het klokje heeft gerepareerd. Maar dat betekende wel dat ik een maand lang niet kon zien hoe laat het was. En dat maakte me ervan bewust wat voor issue tijd voor me is. Op tijd zijn, afspraken nakomen, van de ene bespreking naar de andere vliegen – zo ziet mijn werkweek er meestal uit. Ik kom altijd nét tijd tekort. Omdat er zoveel leuke opdrachten zijn. Omdat ik met zoveel leuke mensen wil afspreken. Omdat ik ook tijd wil maken voor vrijwilligerswerk. Al jaren worstel ik met een overvolle agenda. Al jaren weet ik, voel ik, dat het anders moet. Dit jaar kreeg ik verschillende signalen dat het de hoogste tijd wordt dit probleem echt serieus te nemen. Het kapotte horloge zei me: ‘Hoe lekker zou het zijn om af en toe tijdloos te leven? Gewoon te kunnen lummelen, de boel de boel te laten?’ Tijdens tekstschrijverscongres Tekstnetwerken kreeg ik nog zo’n signaal. Schrijver Marcel van Driel zei in zijn presentatie ‘Zeg vaker NEE’: ‘Elke dag krijg je 86.400 seconden. Daarmee kun je doen wat je wilt. Aan het eind van de dag zijn ze op.’ Marcel koos ervoor om iedere dag maar vier uur te werken. Hoe doet hij dat toch, dacht ik jaloers. Maar het bleef bij denken. Totdat ik dit najaar, wekenlang meer dan fulltime werkend aan een grote klus, dacht: ‘NU ga ik er werk van maken. Ik wil echt meer tijd voor mijn kinderen, mijn lief, mijn vrienden en familie. En eh …. ook meer tijd voor mezelf.’ Want vooral mezelf loop ik met deze levenshouding voorbij. En met mezelf moet ik het toch maar zien uit te houden. Uiteindelijk ben ik de enige die mij altijd vergezelt bij het overstappen van de drempel naar het nieuwe jaar. Het thema ‘beter omgaan met je tijd’ staat nu hoog op de (jaja, daar is -ie weer) agenda. Ik heb allerlei processen in gang gezet. Daarover meer in mijn nieuwjaarsblog. 

De tijd even stil laten staan: daar heb je hulp bij nodig. En dat brengt me op sleutelwoord 2 van 2016: geloof. Religie is relatief nieuw in mijn leven. Ik ga regelmatig naar de kerk, doe al een paar jaar mee aan de veertigdagentijd en de Paaswake in de EUG. Wat religie precies voor me betekent is lastig in woorden uit te leggen. Tijdens een viering gaat het voor mij over het onalledaagse – met woorden, maar vooral in geuren, licht, klanken: het zintuigelijke. Ik word even stil, word boven mezelf uitgetild. In het afgelopen jaar heb ik veel gesprekken gehad over religie omdat ik rooms-katholiek wil worden. En dus was geloven een belangrijk thema in 2016.

Waarom het thema ‘hoop’? De gebeurtenissen in de wereld stemden ons regelmatig somber, het afgelopen jaar. Aanslagen, oorlogsgeweld, Trump als nieuwe president –  het zijn weinig hoopgevende ontwikkelingen. Het zou makkelijk zijn om hierdoor cynisch en verzuurd te raken. Maar dat wil ik niet. Ik klamp me, naïef misschien, vast aan de  hoop en het vertrouwen. De mensen die na een aanslag samenkomen om bloemen neer te leggen en kaarsen te branden. Die weigeren de kerstmarkt of de bioscoop te mijden omdat er wellicht een volgende aanslag kan volgen. Hoe negatief het er ook uitziet in de wereld, ik blijf vertrouwen. Omdat ik ook de hoopvolle tekenen zie in mijn eigen omgeving. De lokale initiatieven voor duurzaamheid en ‘samen delen’ bijvoorbeeld. Het Broodfonds waarbij ik me heb aangesloten, waarin mensen elkaar kennen en hun zorgen delen met elkaar. Ook denk ik met dankbaarheid terug aan de oplossing van een klein persoonlijk drama dat ik een paar maanden geleden meemaakte, namelijk het weer live zetten van mijn kwijtgeraakte blogsite. Ik wil blijven geloven in het goede in de mens.

Het mooiste woord heb ik voor het laatst bewaard: de liefde. Want die was er volop in 2016. Ik ben dankbaar voor de mooie ontmoetingen en de lieve mensen om me heen. We begonnen het jaar in mijn woonkamer met vrienden die elkaar goed en minder goed kenden. We stelden elkaar rake vragen en gaven elkaar de ruimte voor onze verhalen. Het was een fantastische avond. En vele mooie avonden zouden volgen. Urenlange gesprekken voerde ik met vrienden, thuis, op terrassen en in de kroeg (en is het sluitingstijd, dan is er gelukkig nog Kafé België 😉 ). In één van die Utrechtse kroegen ontmoette ik een mooie man. We werden verliefd. En zijn dat nog steeds.

Liefde en trots voelde ik deze zomer toen mijn zoon bij UniC zijn vwo-diploma ondertekende. Een mijlpaal! Dochter maakte alweer de overstap naar de vijfde. Ook bijzonder: voor het eerst in 12 jaar ging ik met exgenoot en onze kinders op zomervakantie. En we vierden het vijftigjarig huwelijksfeest van mijn ouders. Een zonnige, feestelijke dag. Maar soms gaat liefde voorbij. Omdat je het wilt of omdat het niet anders kan. Ik nam afscheid van een paar maatjes die me geen energie meer gaven, van een kortstondige liefde, en helaas ook van vriend Ruud, die veel te jong overleed dit jaar. Mijn oom Ton is afgelopen jaar na een lang ziekbed gestorven. En dan was er de onverwachte, zelfgekozen dood van filmclubmaatje Johan. Ik denk met weemoed aan deze mannen terug.

Liefde ervaar ik ook bij het bezoeken van inspirerende bijeenkomsten, festivals, theaters, musea en filmhuizen. Liefde voor de schoonheid van het leven. Ik bezocht Nijklaester aan het begin van de vastentijd, vierde voor het eerst van mijn leven carnaval (in Oeteldonk). Ik was ook dit jaar weer vele avonden te vinden op de Parade, liep op rode regenlaarsjes door de blubber bij culinair festival Lepeltje Lepeltje, ging naar de boekpresentatie van Mooi niet Alleen, een boek over het solobestaan. Ik bezocht voor het eerst De Beschaving en was daar maar liefst zes uur offline, ging naar de Nacht van de Poëzie, bezocht de spectaculaire uitvoering van Don Giovanni in de Werkspoorkathedraal en het indrukwekkende La Musica 2 van Theater Utrecht, zag prachtige films als Down to Earth en In Pursuit of Silence. En dan was er nog zoveel meer.

Zóveel meer. Wat een zegen dat er een nieuw jaar voor me ligt. 365 dagen die bestaan uit elk 86.400 seconden. Ik ga er zorgvuldig gebruik van maken.

 

afscheid Ruud, 20 april 2016

Afscheidsspeech die ik voorlas namens de twittervrienden van Ruud Ketelaar tijdens de uitvaartdienst op 20 april 2016 in Den en Rust.

Ruud was een man met een mening. En die verkondigde hij luid en duidelijk. Het zal jullie vast niet ontgaan zijn bijvoorbeeld dat Ruud tegen het referendum was. Wat vond hij dat een schertsvertoning en een geldverspilling. En dus bombardeerde Ruud ons, precies twee weken geleden, de hele dag door onvermoeibaar met ‘Stem niet, vecht zelf!’-tweets. Deze actie typeerde Ruud. Zijn visie gaf hij offline, maar vooral via zijn blogs en via Twitter. Ik sta hier namens de twittervrienden van Ruud. Met hulp van heel veel tweeps, de afgelopen dagen, maakte ik een korte schets van Ruuds leven op twitter. Ik vertel jullie hierover aan de hand van een paar steekwoorden.

#blogpraat Ruud was 1 van de bezoekers van #blogpraat op maandagavond. Zo leerde ik hem kennen. Vaak kwam hij alleen maar even langs om sarrend te melden dat het onderwerp hem niet interesseerde. Schrijven voor de lezer? Daar deed hij niet aan, Ruud blogde enkel en alleen voor zichzelf. Hij had een broertje dood aan SEO-tips of tips voor commerciële blogs. En dat mochten we weten ook.

93.650 tweets produceerde Ruud sinds november 2009 – dat zijn er gemiddeld 40 per dag.

#dwdd Ruuds allereerste tweet is een verrassend zinnetje: ‘Zo, even tijd voor dwdd’. Op volstrekt neutrale toon. Dat werd later wel anders, want Ruud haatte De Wereld Draait Door. De laatdunkende tweets over #dwdd zijn bijna niet te tellen. Arme Matthijs. Hetzelfde gold voor programma’s als PAUW of Boer Zoekt Vrouw. Hij filterde de hashtag #bzv zodat hij ervan verschoond bleef, maar glipte er zo nu en dan toch een tweet tussendoor, dan was het gegrom niet van de lucht. Ook zijn afkeer van Facebook of het Nederlandstalige lied stak hij niet onder stoelen of banken.

Stil van Als het ging om politieke issues als de vluchtelingencrisis ging Ruud regelmatig de discussie aan. Dit resulteerde een paar keer in nare haattweets waarbij hij zelfs bedreigd werd. Ruud laste enkele keren een twitterpauze in, onder meer als gevolg van deze hatelijkheden. ‘Stil van’, stond er afgelopen najaar zes weken lang als laatste tweet bovenaan zijn timeline. Hij speelde met de gedachte om met twitter te stoppen. Maar dat lukte hem niet. Daarvoor hield hij teveel van ons.

Tweepcare Twitter betekende voor Ruud: contact. Vanuit huis. Of tijdens een van de opnames in ziekenhuis of revalidatiecentrum. Natuurlijk waren er dan zijn kritische tweets over de belabberde communicatie met artsen en verpleegkundigen – de webcareteams van de diverse instellingen krópen voor hem. Maar vooral ging Ruud door met grappen maken en virtuele knuffels uitdelen. Tweepcare: daar was Ruud goed in. Als het met iemand klikte dook hij al snel onder. Ik durf te wedden dat Ruuds twitteraccount minstens zoveel DM’s als tweets bevat.

Want Ruud was een brombeer – maar wel een hele lieve. Zelf heb ik dat ervaren na mijn verhuizing naar Lunetten, waardoor we wijkgenoten en offline vrienden werden. Ruud vertelde me over de vele innige vriendschappen die hij dankzij Twitter had. Over vriendinnen die hij dagelijks sprak via DM of What’s App. Over de verhuizing naar zijn nieuwe appartement eind 2014 – hulp voor het klussen en verhuizen had hij vanuit het revalidatiecentrum geregeld via Twitter. Ruud was soms verbaasd over al die hulp. Maar we deden het graag. Ruud was bepaald geen klagerige patiënt. ‘Humor en zelfspot zijn levensvoorwaardelijk,’ twitterde hij eens. Juist vanwege zijn sprankeling en levenslust hielden we ervan om bij hem te zijn. Ruud was de verpersoonlijking van online vriendschap en liefde.

Kunst kopen Voor zijn nieuwe huis kocht Ruud schilderijen van Marloes van Zoelen. Hij leerde haar via Twitter kennen. Over ‘Gescheurd Hart,’ het schilderij dat bij Ruud in de kamer hangt en ook staat afgebeeld op zijn rouwkaart, zei hij tegen Marloes: ‘Ik laat steeds tranen. Het ontroert zo. Ik moet het steeds aanraken, het is zooooo mooi.’

#Fritsdinsdag Veel mensen hadden een hekel aan de geheimzinnige Frits. Een verduidelijkende blog over de beste man bracht weinig soelaas. Over Frits twitterde iemand na Ruuds overlijden: ‘Frits mist Ruud en kijkt stuurs voor zich uit. ‪#Ruudwas zijn kameraad door dik en dun. Nooit meer ‪#Fritsdinsdag

Tweetups De blogpraat-meetup, de twitterlunch en andere tweetups bezocht Ruud met plezier. Eén van jullie schreef me over een tweetup in Almere: “Ik erger mij altijd aan mensen die zeggen dat ze komen en dan op het laatste moment afzeggen. Voor de tweetup die ik organiseerde kwamen wat afzeggingen, waaronder van Ruud. Hij ging het niet redden. Een halfuurtje later echter stond hij voor mij. ‘Maar je zou toch niet komen’, zei ik verbaasd. Ruud lachte hard en vond het mooi dat hij me te pakken had gehad. ‘Natuurlijk kom ik’, grijnsde hij. ‘Ik verveelde me alleen in de trein hier naartoe’.”

#ruudwas En toen, vorige week zondag, verscheen Ruuds laatste tweet. Twee dagen later bleek dat hij was overleden. Het kwam hard aan. Hoe hard, kwam naar voren toen zoon Jim de hashtag #ruudwas introduceerde. De herinneringen buitelden over elkaar heen en Ruud was zelfs enige tijd trending topic. Met een brok in mijn keel lees ik de tweets nog eens over. Ik pik er twee bijzondere uit:

#Ruudwas een rots in de branding van de twittertijdlijn. Fel en onvermoeibaar in zijn principes, warm en mild in zijn twittervriendschap.’

#Ruudwas een man die iedereen het gevoel kon geven bijzonder te zijn.  Hij wist helaas alleen niet hoe bijzonder hij zelf was.’

Lieve Ruud, het doet pijn om jou te moeten missen.

 

 

 

vaarwel, Ruud Ketelaar

Het werd zijn allerlaatste tweet: ‘De mijne komen er niet. Lig de hele dag misselijk op de bank …’ Ruud twitterde dit naar mij en @puntann, afgelopen zondagmiddag. We hadden het over de blogs die Ruud had willen schrijven die dag: drie stuks maar liefst. De blogs kwamen er inderdaad niet. Nooit meer. Ruud overleed maandagavond 11 april 2016. Ik heb een goede vriend verloren.

Ruud leerde ik kennen via Twitter, #blogpraat om precies te zijn. Dat was rond 2010. Zomer 2013 troffen we elkaar voor het eerst IRL, op de Parade. En daarna nog twee keer tijdens de befaamde twitterlunches van @Puur in Utrecht. Het contact werd intensiever toen ik eind 2014 een huis kreeg aangeboden in Lunetten. Ik kende de wijk niet – zou het wel iets voor mij en mijn kinderen zijn? Ik vroeg Ruud of hij me er meer over kon vertellen. Dat deed hij, op een zondagmiddag bij hem thuis. Ik kreeg alle ins & outs van de wijk te horen, op de voor hem kenmerkende manier: briesend over de apotheek, spottend over de Lunettense horeca – maar vol lof over de kameraadschap en de laagdrempelige contacten in de wijk. Ik verhuisde en Ruud was mijn eerste Lunettenmaatje. Ik leerde #zaterdagsoepdag kennen: soep maken voor jezelf én voor een paar wijkgenoten. Ruud en ik hebben heel wat soep voor elkaar gekookt. Toen Ruud in de zomer in het ziekenhuis terecht kwam, gingen we met wat maatjes uit de wijk regelmatig bij hem op bezoek. Een maand later was hij weer thuis. Om beurten kookten we voor hem met wijkgenoten. Of we deden boodschappen. Voor hem deed je dat. Omdat hij geen zeurende patiënt was. Hij had een rotlichaam, zoals hij het zelf noemde. Maar met een wonderbaarlijke veerkracht kwam hij er altijd weer bovenop. En als ik dan weer met een pannetje soep of een tupperwarebakje couscous bij hem aanklopte, gingen de gesprekken nauwelijks over zijn voet, hart of diabetes. Nee, we hadden het over het leven en over de liefde. Over boeken en politiek. Of over chillende zoons en andere puberperikelen.

Ruud had altijd een mening. En die mening stak hij niet onder stoelen of banken. Niet op twitter en niet in zijn blogs. Lag hij in het ziekenhuis, dan kregen de artsen ervan langs wegens de haperende communicatie. De laatdunkende tweets over #dwdd zijn bijna niet te tellen (‘Is er ook maar de geringste mogelijkheid dat Matt Hijs, Nico en de complete redactie van #dwdd het overlijden van David Bowie hebben gemist?’ ‘Mijd je #dwdd als de vliegende tering, wordt het item voor item op Twitter herhaald. PLEURT OP!!!!’). Zijn twittervolgers herinneren zich zijn laatste verbeten strijd: dat was tegen het referendum op 6 april. Onvermoeibaar slingerde hij zijn ‘stem niet, vecht zelf!’-tweets onze timeline in. Hij was scherp en soms ‘virtueel ongezellig’.  Dit kwam hem zo nu en dan op nare, hatelijke reacties te staan. Zo hatelijk, dat hij enkele keren stopte met twitter. ‘Stil van …’ stond een keer wekenlang als laatste tweet in zijn timeline. ‘Ik stop misschien wel met Twitter,’ zei hij soms tegen me. ‘Al die haat en nijd. Het is niet meer zoals vroeger.’ Maar hij kon het twitteren niet laten. Hij had er zóveel gesprekken, deed er zoveel nieuwe contacten op. Via Twitter regelde hij, vanuit revalidatiecentrum De Hoogstraat, de klussers voor zijn nieuwe appartement. Via Twitter kocht hij kunst. Via Twitter leerde hij mensen kennen met wie hij warme, vaak virtuele vriendschappen opbouwde – het zou me niet verbazen als Ruuds Twitteraccount bijna net zoveel DM’s als tweets bevat …

Ruud blogde vaak en graag. Over proza en poëzie. Over muziek. Over zijn zieke lijf. En over concerten en voorstellingen die hij bezocht. Over dat bloggen spraken we vaak. Ik ben gewend mijn teksten af te stemmen op mijn doelgroep. Ruud deed dat niet. En dus schreef hij gerust blogs van 2000 woorden of meer. Hij was er stellig over: ‘Ik blog niet voor anderen. Ik blog voor mezelf.’ Een eye-opener voor mij als beroepsstukjesschrijver.

Ook ik kan makkelijk tot 2000 woorden doorgaan bij het schrijven van dit in memoriam. Ik heb bijvoorbeeld nog niets geschreven over het huiskamerconcert van @lavalu, vorig jaar op Ruuds verjaardag. Over de theatervoorstellingen die Ruud en ik bezochten (twee weken geleden nog gingen we naar het Scapino Ballet in de Stadsschouwburg). Over de middag dat we de stad in gingen om cadeautjes te kopen voor mijn zoon die achttien werd. En over de Koot & Bie-dvd-avond die we samen voor onze wijkgenoten organiseerden. Er zijn zóveel mooie herinneringen; teveel om hier te noemen.

Twee dingen vind ik nog wél belangrijk om te vermelden. Punt één: Ruud was lief voor me als ik dat nodig had. We zagen elkaar beslist niet dagelijks, maar hadden veel contact. Mijn eerste maanden in Lunetten waren bepaald niet makkelijk. Ruud voelde dat. Als we appten kon het zomaar zijn dat hij aankondigde: ‘Ik kom eraan.’ Tien minuten later zat hij bij mij op de bank – Ruud aan een AV’tje (als ex-probleemdrinker nam hij alleen alcoholvrij bier), ik aan de wijn. Ik herinner me een langdurige reis per OV, tijdens welke ik erg somber was. Ruud en ik appten de hele weg tot aan mijn voordeur, waarbij hij me allerlei opbeurende YouTube-filmpjes stuurde. Het raakte me diep.

En dat brengt me op punt twee: Ruud maakte deel uit van mijn ‘framily’; een lelijk woord dat staat voor vrienden die een soort familie van je worden. Sinds ik alleen woon, leef ik anders. Ik heb geen man thuis op de bank zitten die me gezelschap houdt – dat gezelschap moet ik zelf opzoeken. En dat gold ook voor Ruud. Wij vonden elkaar hierin. In praktische zaken (even soep voor elkaar koken) en in de gesprekken die we voerden. Ruud was een vrije geest, wars van hokjesdenken. Hij scherpte mijn geest.

DAMN. Wat zal ik hem missen.

 

fuck it!

Ik heb het niet gelezen. Ik heb het niet eens in huis. Toch houdt het boek met de vrolijkstemmende titel ‘Fuck it!’ van John Parkin me al ruim een week in de greep. Vriendin M. attendeerde me erop, vorige week zondag. ‘Het lijkt me onnodig om het te lezen, als je de achterflap bestudeert weet je genoeg,’ meende M. En inderdaad: ons gesprek en het lezen van een artikel over Fuck it! was voldoende om me te overtuigen van deze bevrijdende methodiek. Het is een uitkomst, vooral voor mensen die niet perfect zijn (zoals ik). Mensen die twijfelen bijvoorbeeld. Die geen keiharde doelen hebben in hun leven. Mensen die ruiterlijk toegeven dat ze dingen niet kunnen. Die niet daadkrachtig halve marathons lopen en voortdurend op hun gewicht letten. Én voor mensen die altijd trouwhartig ‘dat doe ik wel even!’ roepen als er vrijwilligers worden gevraagd. Voor al die mensen is Fuck it! geschreven.

Hoe werkt het? Heel simpel: zeg vaker ‘Fuck it!’ tegen dingen die je niet wilt of kunt. Een avondje pizza halen omdat je geen tijd had om boodschappen te doen? Het stofzuigen overslaan omdat je zo heerlijk met een boek op de bank zit? Een inkomend telefoontje van die vriendin die altijd zo lang van stof is door de voicemail laten beantwoorden? Voel je niet schuldig. Voel je niet slecht. Fuck it! Wil je altijd aardig gevonden worden? Dat is onmogelijk! Voel je je rot omdat mensen leugens over je vertellen? Laat ze – zij worden er vást heel gelukkig van!

Dankbaar zijn is een belangrijk onderdeel van de Fuck it-methodiek. Juist als je tevreden bent met wat je hebt, leer je ‘Fuck it!’ te zeggen tegen alles wat je van slag maakt en wat tot geklaag leidt, stelt Parkin. Ook al is je leven een puinhoop, er is genoeg om dankbaar voor te zijn.

Betekent ‘Fuck it!’ denken dan ‘onverschillig zijn’? Nee! Je zegt het F-woord niet omdat het je allemaal niets kan schelen. Je zegt het juist omdat je je te druk maakt om dingen. Omdat je je verantwoordelijk voelt en je altijd van je beste kant wilt laten zien. Of omdat je vindt dat je moet voldoen aan criteria die anderen je opleggen. Fuck it! is dus geen YOLO: het is mild zijn voor jezelf. Niet teveel moeten. Je minder gelegen laten liggen aan de mening en de indianenverhalen van anderen. Wie van zichzelf houdt, zegt ‘Fuck it!’. De afgelopen week werd ík er in elk geval al heel blij van.

een knusse kerst

‘Merry Fucking Christmas. From me to your fucking perfect family.’ Dat staat op één van de kerstkaarten van de Britse (what’s in a name) Bridget, een single vrouw die al jaren hilarische kerstkaarten maakt. Het zijn ansichten die de draak steken met de zoetsappige portretten van blije gezinnetjes, liefst in een besneeuwd landschap, uiteraard mét olijk scheefstaande kerstmuts op het hoofd.  Met treffende tafereeltjes geeft Bridget weer hoe het voelt als je níet als vanzelfsprekend deel uitmaakt van een stel of een gezin tijdens de feestdagen. Want juist tijdens dat soort dagen ligt de nadruk enorm op het samenzijn.

foto: Imgur/Willymac

We zien het voortdurend in de winkels, de tv-reclames en in de folders terug: Kerst is knus. Mijn ervaring is echter vooral: Kerst is gedoe. En echt niet alleen omdat ik geen man naast me aan de gourmettafel heb zitten. Ook tijdens de twaalf jaar dat ik stiefmoeder was in een samengesteld gezin was het elk jaar weer een pittige uitdaging. Je wilt voldoen aan verwachtingen, je balanceert tussen verschillende belangen, je veinst harmonie en gezelligheid terwijl je diep in je hart denkt ‘zat ik maar lekker in mijn spijkerbroek met een zak chips op de bank’.

Van vrienden hoor ik de laatste dagen klaaglitanieën aan over ingewikkelde familietoestanden. Ik hoor ‘Pfff, wat zie ik op tegen de feestdagen’ of ‘Ik boycot het kerstfeest’. Zover wil ik niet gaan. Begrijp me goed: ik houd van gezelligheid en van samenzijn. Ik vind de nachtmis prachtig en ja, er staat hier elk jaar een vers geurende kerstboom in huis. Ik ben dol op lekker eten en mooie kleren. Maar het verplichte geluk dat aan feesten als Kerst schijnt te kleven, daar heb ik niets mee. Wat is het een zegen dat ik dit jaar geen verplichtingen heb. Ik kies zelf de mensen uit met wie ik de 25e en 26e december doorbreng. Geen voetangels en klemmen. Geen gestress met roosters en agenda’s. Merry f*cking X-mas! Eh, ik bedoel … zalig kerstfeest – misschien wel heerlijk helemaal alleen!

de eeuwige single

Een doorsnee vrijdagmiddag. Met vriend R. drink ik een biertje in de stad. Het gesprek gaat over relaties. Hij en ik, allebei solo, weten heel goed wat we níet willen. Logisch: in een nieuwe situatie zet je je onwillekeurig tegen de oude af. Je zoekt iets wat je miste bij je ex. We bezigen daadkrachtige, stoere taal. Van ‘nooit meer samenwonen!’ tot ‘ach, hoe belangrijk is seks nu eigenlijk?’

Onze stellingnames gaan verder dan het omschrijven van de ideale partner. Ook de vorm van de relatie is een issue. Want kijk om je heen: na een scheiding hebben veel mensen in no time een nieuw liefje. En dan kiezen ze als vanzelfsprekend voor het vertrouwde, vaste patroon. Wéér wordt een partner voorgesteld aan vrienden en familie, wéér wordt van de kinderen verwacht dat ze zich aanpassen aan de vriend of vriendin van pa of ma, wéér vier je samen Kerst en zit je naast je partner in de kring op verjaardagsfeestjes.

Alles precies zoals het was – alleen met een ander personage. Wil ik dat? Néé! Maar wat dan wel? Eeuwig single blijven? In De Corrrespondent las ik een voorpublicatie van Het monogame drama van Simone van Saarloos. De filosofe pleit voor single-zijn als vaststaande relatiestatus. ‘In onze cultuur is monogamie nog altijd het ideaal. Het single-zijn wordt altijd als een tussenfase gepresenteerd, nooit als doorlopende oefening of levenskunst,’ schrijft Van Saarloos.

Herkenbaar. Schrijf je je in op een datingsite, dan kies je natuurlijk voor de betaaloptie ‘drie maanden’ – want een jaarabonnement impliceert dat je er weinig fiducie in hebt ooit van je singlestatus af te raken. Stelletjes zijn de standaard in onze maatschappij. Als single krijg je onwillekeurig het gevoel incompleet te zijn.  Van Saarloos schrijft hierover: ‘Waarom zou slechts één levenspartner genoeg zijn om je compleet te maken?’ Zij pleit niet zozeer voor single zijn in de zin van ‘geen liefdesrelatie hebben’ – ze is een voorstander van meerdere relaties tegelijkertijd.

Voor mij zit ‘m hier de crux. Ik zie single-zijn inderdaad als levenskunst. Ik vind mezelf verre van zielig en zoek geen partner om me compleet te maken. Het solobestaan betekent voor mij echter niet ‘erop los leven’. Een relatie met Jan, Piet én Klaas – da’s mij te ingewikkeld. Eén lief is genoeg. Steun ervaren, je geliefd en begeerd voelen, weten dat iemand op aarde regelmatig aan je denkt – hoe fijn is dat! Daarbij draait het om de juiste balans tussen afstand en nabijheid. Niet samenzijn omdat het hoort – maar omdat je het wílt. Elkaar vrij laten. Geen jaloerse toestanden. Elkaar alle geluk van de wereld gunnen, ook als dat betekent dat de ander een keuze maakt waar jij weinig begrip voor op kunt brengen.

Niet de helft van een stel, maar ook geen eeuwige single. Is daar misschien een woord voor?

loslaten

‘Als je alles loslaatlos - Ingmar Heytze, heb je twee handen vrij om de toekomst te grijpen.’ Ware woorden van trendwatcher Adjiedj Bakas in een interview in Trouw, eerder dit jaar. Loslaten is kiezen voor bevrijding. Is stoppen met twijfelen. De angst voorbij.Maar hoe doe je dat, loslaten? Het lijkt zo simpel. Je hebt een besluit genomen, je weet precies waarom je dat hebt gedaan – en dooorrrr! Helaas is dat doorgaan makkelijker gezegd dan gedaan. Vasthouden aan het vertrouwde is comfortabel. Het geeft een gevoel van veiligheid. Zelfs nadat de knoop is doorgehakt, kan je zo nu en dan een gevoel van twijfel bekruipen: heb ik het wel goed gedaan?

Wat mij helpt bij het loslaten, is in beweging komen. Het gedicht ‘Los’ van Ingmar Heytze, dat bij Orloff aan de Kade hangt, trof me dan ook vanaf het eerste moment dat ik het las. ‘Dans en je weet dat je bestaat. Niets meer vast en alles los.’ Dansen, fietsen, hardlopen. Met je hoofd in de wind, met de blik vooruit, gericht op de toekomst: het helpt. Wat ook helpt: de Facebookmeldingen ‘Op deze dag’ stopzetten. Gék werd ik ervan, de sentimentele berichten die me vertelden dat ik ‘vandaag drie jaar geleden’ een huis had gekocht samen met m’n ex. Of die de vakantiekiekjes van verleden jaar lieten zien om zout in de wond te strooien. Stop! Ik hoef dit niet te zien, Facebook!

Vrienden helpen ook. Afgelopen week lukte het me even niet om te dansen. Dan is het fijn dat ik m’n hoofd tegen een virtuele schouder kan leggen tijdens een lange treinreis en via What’s App een knuffel én een paar linkjes naar strijdliederen ontvang. Geen sentimentele deuntjes, maar voorwaarts, mars! De rest van de reis zat ik met een grote glimlach op mijn gezicht.

Tenslotte helpt het me om markeringen aan te brengen. Om momenten te creëren. Zo heb ik vorige week, op de dag dat ex en ik één jaar uit elkaar waren, een ring gekocht. Ringen, die kréég ik altijd. Van een man. Nu kocht ik een prachtige ring voor mezelf. In een nieuwe kleur. En met een nieuwe vorm. De ring herinnert me aan een turbulent maar mooi jaar. Een jaar waarin ik sterker werd. Los van het verleden ben ik nog niet. Dat heeft iets meer tijd nodig. Maar er is volop beweging. Ik dans de sterren en de maan. Ik dans tot ik de weg weer weet.