Categoriearchief: opvoeden

slimme winkels gaan genderneutraal

‘Mooi shirt hè Maarten!’ ‘Heel leuk mama, maar ik neem ‘m niet, want dit shirt is voor meisjes.’ Bij de HEMA zijn dit soort discussies binnenkort verleden tijd. De winkelketen maakte gisteren bekend dat de aanduiding ‘jongen / meisje’ van kinderkleding wordt verwijderd. Een fantastische stap. Weg met de betutteling! Als klant ben ik op zoek naar iets wat ik mooi vind; niet naar iets wat volgens de winkel voor mij en mijn seksegenoten is bedoeld. De HEMA kiest voor een afdeling met kinderkleding. Geen hoekje meer voor jongens of voor meisjes. De kleding wordt genderneutraal verpakt. En dat leidt niet tot eenvormigheid, maar juist tot meer vrijheid. De vrijheid om te dragen waar je je prettig in voelt.

Kiezen voor genderneutraal is kiezen voor diversiteit. Een meisje kan bij de HEMA nog steeds jurkjes kopen. Maar als ze liever donkergrijs ondergoed heeft in plaats van paars gebloemde broekjes, dan kan dat ook. Zonder dat ze hoeft te denken: ‘Als de kassajuffrouw maar niet ziet dat ik jongensonderbroeken koop.’ Ik vind het goed van de HEMA dat ze haar nek durft uit te steken en ga ervan uit dat meer kledingwinkels zullen volgen. Vooral nu blijkt dat het bevestigen van stereotiepe rolpatronen gezondheidsschade kan veroorzaken. Wetenschappers in the Journal of Adolescent Health hebben onderzocht dat denken in vaste rolpatronen negatieve effecten heeft op de gezondheid van jongens en meisjes gedurende hun verdere leven. Daarom is het belangrijk dat ouders hun kinderen binnen minder traditionele rolpatronen opvoeden, zeggen de onderzoekers.

We verlaten de HEMA en lopen de speelgoedwinkel binnen. Hier wordt pas echt in stereotiepen gedacht. Voetballen, Playmobiel, technisch Lego: we vinden het allemaal langs de blauwe wand, met daarbij nadrukkelijk de aanduiding ‘jongens’. In de schappen tegen de roze wand liggen de Barbies, poppen en prinsessenjurken. Overzichtelijk, zou je denken. Maar nee, door deze indeling van de winkel worden kinderen en hun ouders gemanipuleerd. Want een jongen die met Barbies wil spelen, kijkt wel link uit zich in de roze hoek te begeven. Volgens de winkel hoort hij daar immers niet. En doet hij het toch, dan wordt hij meewarig aangekeken of bespot. Zo werkt de speelgoedwinkel op slinkse wijze vaste rolpatronen in de hand. Winkelmanagers, doe er iets aan! Waarom het speelgoed niet aanbieden in categorieën: spelletjes, Lego, poppen, enzovoort. Een kind kan dan kiezen wat bij hem of haar past.

Genderneutraal wil niet zeggen dat we hetzelfde moeten zijn. Integendeel: het stimuleert dat we onze verschillen vieren. Niet per se verschillen in sekse, maar verschillen in voorkeuren, smaak en stijl. Want ieder mens is anders en heeft behoefte aan maatwerk. Een slimme, bijdetijdse retailondernemer speelt in op deze diversiteit.

Overigens was HEMA Holten haar tijd ver vooruit. In het najaar van 2014 maakte ik deze foto in genoemd filiaal. We zullen het nooit te weten komen, maar wellicht bracht de filiaalmanager van HEMA Holten met dit fraaie staaltje genderverwarring het balletje aan het rollen 😉

laat mannen mannen zijn

De ophef rondom de SIRE-campagne ‘laat jij jouw jongen genoeg jongen zijn’ is alweer enige tijd geluwd. (Ik schreef er deze zomer een blog over.) Toch bleef de campagne me bezighouden. Het werd dus tijd om Waar is mijn speer ter hand te nemen, een boek over de rol van de man in de 21e eeuw. Het is geschreven door de Britse journalist en documentairemaker Tim Samuels.

Mannelijkheid wordt vaak geassocieerd met brute kracht, agressie en gevoelloosheid. ‘Echte mannen huilen niet.’ Maar wat we uit het oog zijn verloren, schrijft Samuels, is ‘de inherente, duurzame kracht van mannelijkheid – en hoe die kan worden aangewend als een positieve kracht’. In het boek gaat hij op zoek naar moderne manieren van mannelijkheid. Want mannen moeten weer man zijn, stelt hij. Maar hoe dan? Ik zet de belangrijkste lessen van Tim Samuels voor je op een rij.

  1. Kom in beweging, adviseert Samuels. Letterlijk. De oerman was een jager. Hij liep de hele dag buiten, trok met een speer de natuur in. De adrenaline gierde door zijn lichaam. De man anno 2017 heeft geen speer, maar een smartphone in zijn hand. Hij zit de hele dag binnen achter een toetsenbord. Waar moet hij zijn adrenalinekick vandaan halen? Sommige mannen zoeken hun heil in snelheidsovertredingen, drankmisbruik of voetbalvandalisme, stelt Samuels. Op die manier voelt de man nog iets van dat avontuur in zijn lichaam. Die vitale kracht van de jager kunt je echter ook op andere manieren de ruimte geven. Door je af te beulen in de sportschool. Door de Haka te dansen. Of door hout te hakken voor de open haard. Niet voor niets zijn mannen die buiten werken, bijvoorbeeld in de bouw, gelukkiger dan kantoorklerken.
  2. Markeer de overgang van jongen naar man. Dit kan met een initiatieritueel. Zo’n ritueel is in veel culturen gebruikelijk (geweest). Het is een belangrijk onderdeel in de ontwikkeling van een jongen. Door een ritueel wordt benadrukt wat de verantwoordelijkheid is van een man.  Bij gebrek aan een overgangsritueel bewijzen jongens hun mannelijkheid door het plegen van een misdrijf of andere stoerdoenerij. In Australië en de VS wordt het overgangsritueel vooral ingezet binnen de hulpverlening, voor jongens uit risicogroepen. Dit gebeurt onder het motto ‘je kunt beter kinderen sterk maken dan gebroken volwassenen repareren.’ Maar waarom laten we niet alle jongens zo’n ritueel ondergaan, vraagt Samuels zich af. In een initiatierite van een paar dagen leren jongens wat er hoort bij het leven van een volwassen man, onder meer door verhalen aan te horen van oudere mannen.
  3. Wees realistisch over relaties. Als het gaat om de liefde, onderscheidt Samuels vier typen mannen: van de romanticus in wiens hoofd het niet opkomt om naar anderen m/v te kijken tot en met de seriële vreemdganger. De meest voorkomende man is het type ‘wel kijken, niet aankomen’; een gewone vent die van zijn partner houdt, maar wel houdt van veilig flirten omdat dit hem het gevoel geeft dat hij nog een beetje meetelt. De man is van nature niet gemaakt om monogaam te zijn: hij heeft ‘apenballen’. In de natuur zegt de balomvang iets over seksueel gedrag. De gibbon is een monogame aap, hij heeft kleine testikels. De mensentestikels zijn groter dan die van de gibbon, maar kleiner dan die van de chimpansee die veel verschillende partners heeft. En dus vecht de man ‘tegen zijn biologische software om te kunnen voldoen aan de eisen van het kerngezin’. Vreemdgaan is voor hem een rebelse daad, vergelijkbaar met ruzie zoeken of een misdaad plegen. Een man gaat vreemd omdat hij zich slecht voelt over zichzelf. Een vrouw gaat vreemd omdat ze vindt dat de relatie slecht is. Als zij vreemdgaat staat ze al met een been buiten de relatie, als hij vreemdgaat is dat geen teken dat er iets mis is in de relatie. Samuels citeert een relatietherapeut, die zegt: ‘Het is een groot experiment om twee fundamentele menselijke behoeften, namelijk de behoefte aan veiligheid en de behoefte aan avontuur, in één relatie samen proberen te brengen.’ Wees daarom realistisch over je relatie: verwacht niet alles van je vrouw of man; breng regelmatig tijd door met andere mensen dan enkel en alleen je partner.
  4. Zorg je dat je geestelijk gezond blijft. Veel mannen lijden aan depressies. Ze zijn gewend hun gevoelens op te kroppen en stoere praat te bezigen, ook al voelen ze zich nog zo rot. Doe dit niet, zegt Samuels. Praat over je gevoelens. En zorg dat je niet al teveel stress hebt. Doe aan yoga, of mediteer.
  5. Zoek andere mannen op en doe dingen samen met hen. Bier drinken of darten zijn voor de hand liggende opties, maar zoek liever naar activiteiten waar je je energie in kwijt kunt. Zoals rugby, boksen of een bootcamptraining. Niet alleen om de vitale kracht van de jager te voelen (zie punt 1) – maar ook omdat het goed is om met mannen onder elkaar te zijn. Sommige mannen zitten volledig bij hun vrouw onder de plak. Avond aan avond brengen ze naast haar door, thuis op de bank voor de tv. Een slechte zaak, zegt Samuels. Mannen kunnen onder elkaar heel flauw zijn, hun energie en humor zijn anders dan die van vrouwen. En dat hebben mannen nodig. ‘Het leven lijkt minder zwaar als je bij je vrienden bent’, aldus Samuels.

Er staat nog zoveel meer in het boek. Over de relatie tussen cornflakes en masturberen. Over de serieuze gevaren van extreme pornofilms. Over de kunst van het het versieren. En over het grote belang van goed vaderschap. Waar is mijn speer is een eye-opener voor mannen én vrouwen. Vooral omdat het boek laat zien wat die mannelijke kracht voor mooie dingen voor de wereld kan betekenen.

 

kind (m/v)

Op de basisschool had dochter een vriendje dat dol was op onze verkleedkist. Met drie meiden en één jongen in huis waren de prinsessenjurken oververtegenwoordigd in genoemde kist. En daar was het de jongen, laten we hem Jeffrey noemen, precies om te doen. Als hij bij dochter kwam spelen, trippelde hij de hele middag in zachtroze gewaden door het huis. Hij drapeerde goudglanzende sjaals om zijn schouders en koos er zorgvuldig bijpassende sieraden bij. Jeffrey’s ouders echter waren bepaald niet gecharmeerd van de verkleedpartijen. Als het jochie werd opgehaald na de speelafspraak en het kind in de hal verscheen met zilverglitterende engelenvleugels op zijn rug, verzuchtte vader geïrriteerd: ‘Loop je weer in meidenkleren!’ Waarop Jeffrey schuldbewust de vleugels van zich afwierp en met een beteuterde blik in z’n ogen met z’n vader ons huis verliet. Arme jongen.

Aan Jeffrey moest ik denken toen de SIRE-campagne ‘Laat jij jouw jongen genoeg jongen zijn’ deze week van start ging. SIRE komt in het campagnefilmpje met een ‘onverwoestbare broek’ op de proppen, die jongens kunnen dragen tijdens het buiten spelen. Jongens willen, aldus SIRE, in hun spel risico’s nemen en ontdekken. Ze willen dóen. En daar is, horen we in het filmpje, de laatste jaren minder aandacht voor. ‘Jongens moeten stil zijn en luisteren’. Bovendien hebben ze te weinig mannelijke rolmodellen: er staan steeds meer vrouwen voor de klas.

De SIRE-campagne maakt me kwaad. In de eerste plaats omdat het lijkt alsof vrouwen de boosdoeners zijn in dit verhaal. Natuurlijk, er staan meer vrouwen dan mannen voor de klas. (Het CBS meldt dat het aandeel vrouwen dat les geeft in het basisonderwijs sinds 2005 is gestegen van 82 naar 87 procent in 2015.) Een gelijke man/vrouw-verdeling zou het meest ideaal zijn. Echter: ‘de feminisering van het onderwijs’ klinkt alsof het iets vreselijks is. ‘Alsof het een aandoening is waartegen je moet worden ingeënt. Dat je bij de dokter komt en zegt “o dokter, ik heb de laatste tijd weer zoveel last van feminisering”’, stelt Japke-d Bouma in haar column in NRC Is er nou te veel of te weinig feminisering? Eeuwenlang stonden er uitsluitend mannen voor de klas. De laatste veertig jaar wordt dit eindelijk gelijkgetrokken en neemt het aantal vrouwen in het onderwijs toe. Zoek voor de aardigheid eens via Google afbeeldingen naar ‘schoolklas jaren 50′. Je ziet dan al aardig wat vrouwen voor de klas. Toen ik trouwens de schoolfoto’s uit die tijd bekeek, dacht ik nog iets anders: juist de jaren 50 en 60 was dé tijd waarin het ‘stil zijn en luisteren’ hoogtij vierde. Onze ouders en grootouders en ook mijn generatie moesten echt wel stil zitten op school. Zes uur lang, iedere dag. En al die jaren gingen veel jongens na schooltijd buiten spelen, in bomen klimmen, fikkie stoken en vielen ze een gat in hun broek.

De campagne slaat de plank mis omdat het volgens mij om twee heel andere dingen gaat. Ten eerste zijn ouders banger geworden. Kinderen mogen aan geen enkel risico meer worden blootgesteld. Voor een deel terecht: het verkeer is drukker dan dertig jaar geleden. Ook zijn er steeds minder ruige terreintjes waar kinderen kunnen spelen met takken, stenen en modder. Bijna niets wordt meer aan het toeval overgelaten, kinderen worden met de auto gebracht en gehaald naar vioolles / hockey / peuteryoga / enzovoort. Hebben we twijfels over een opvoedvraagstuk, dan bespreken we dit niet met onze vrienden, maar met de orthopedagoog. Al deze overbezorgdheid leidt ertoe dat kinderen tere poppetjes worden. ‘Onuitstaanbare prinsjes en prinsesjes’ noemt een van mijn favoriete schrijvers Mirjam Schöttelndreier hen in Monsters van kinderen, draken van ouders. Deze prinselijke kinderen mógen niet buiten het hek spelen, want anders worden ze vies, komen ze enge mannen tegen, breken ze hun been of gaan ze doktertje spelen. Liever hebben ouders controle over ze, bijvoorbeeld in de speeltuin voor het huis, of worden ze achter tv of iPad geplaatst, want dat is veilig en lekker rustig. Ik denk dat die ouderlijke overbezorgdheid een van de oorzaken is dat kinderen minder vaak ‘kapotte broeken’ hebben.

Dit is een plaatje uit de gids van Top Toy, een Zweedse speelgoedfabrikant die speelgoed op genderneutrale wijze aanbiedt.

De allerbelangrijkste misser uit de campagne vind ik echter deze: het filmpje gaat helemaal niet over jongens. Het filmpje gaat over kinderen. Jongens én meisjes leren door te ontdekken en grenzen op te zoeken. Voor kinderen (m/v) is het spannend en leuk om in bomen te klimmen, scheikundige proefjes te doen, verschillende kleuren nagellak uit te proberen, met Barbies, autootjes en Lego te spelen. Veel jongens vinden het fijn om te klimmen, klauteren en schreeuwen. Veel meisjes vinden dat ook. Daarnaast zijn er jongens én meisjes die liever lezen, een kleurplaat kleuren of make-up op doen. Ouders die meteen ‘neeee, dat is voor jongens!’ schreeuwen, remmen de ontwikkeling van hun kind. Waarom moet een speelgoedwinkel streng worden gescheiden in een roze en een blauw segment? Waarom mogen meisjes geen korte haren en kunnen jongens geen rokje aan? Wat zou het mooi zijn als we bij de geboorte van een kind niet roepen ‘het is een meisje’, maar ‘hoera, er is een mens geboren!’

Kortom: laat kinderen zelf uitproberen wat bij ze past. En stimuleer ze bij het doen van deze ontdekkingen. Geef ze geen onverwoestbare broek, maar een onverwoestbaar gevoel van eigenheid en zelfvertrouwen.

Aanvullend: op 1 augustus las ik deze reactie op de campagne in Trouw, geschreven door Jens van Trigt en Hanneke Velten. Zeer mee eens: Sire-campagne doet jongens tekort en moedigt stereotiep gedrag aan 

ode aan de moeder

In zijn fenomenale liedje Moederdag (beluister het liedje hier) bezingt Hans Dorrestijn hoe het gelukzalige Moederdagtafereeltje dat ons in de reclame wordt voorgespiegeld, meestal in werkelijkheid verloopt. ‘Moeder, twee helften van een plaat, want hij brak, ’t was een plaat van James Last.
Trouwens, Dirk-Jan had, voor ‘ie ‘m brak, uw naam d’r al ingekrast. 
Moeder, wij houden zo veel van u, u huilt nu zelfs van gelukWij kinderen zijn een zaligheid, ook al maken we nog zoveel stuk.’ De kinderen doen hun best, maar de thee is slap en de dure cadeaus zijn gesneuveld. Ja, kinderen zijn af en toe klunzen. Maar vaders en moeders ook. We doen maar wat. Op hoop van zegen.

Op deze Moederdag breng ik een ode aan alle ploeter- en loedermoeders, stief- en goed-genoegmoeders, Tijgermoeders, alleenstaande moeders en al die moeders die ik in deze opsomming vergeten ben. Natuurlijk vaders, ook jullie doen ertoe. Maar nu gaat het even over de vrouw die ons het leven schonk. De moeder, geliefd en gehaat. Soms is ze raadgever, dan weer fungeert ze als boksbal. Soms is ze je vertrouwensvrouw, dan weer verzwijg je haar maanden- of jarenlang dat wat je ten diepste bezighoudt. Je kunt haar van alles verwijten. Maar als je zelf moeder wordt, begrijp je dat ook zíj maar wat deed. Want dat doen alle moeders. Je overlegt met de vader van je kinderen, je doet dingen die je in je eigen jeugd hebt meegekregen – of juist niet. Je praat met andere ouders, leest opvoedrubrieken, raadpleegt misschien zelfs een psych. Maar uiteindelijk doe je toch dat wat jou het beste lijkt.

tekening: Peter van Straaten
Ik ben vooral een goed-genoegmoeder (je leest er meer over in een column die ik rond 2010 voor Stichting Stiefmoeders schreef). Waarom? Omdat deze levenshouding een weldaad is voor jezelf en voor je kinderen. Niemand is perfect: mijn kinderen niet, hun vader niet, en ik al helemaal niet. Vanzelfsprekend hebben exgenoot en ik de kinderen alles gegeven wat nodig was. We hebben ze manieren bijgebracht, we hebben ze begeleid bij hun schoolkeuze, we hebben ze gestimuleerd bij het uitoefenen van hun hobby’s. Maar ‘alles eruithalen wat erin zit’? Dat is niet aan mij besteed. Kinderen zijn geen project. Lukt iets niet, dan houdt het op. Daarnaast: je kunt kinderen niet overal tegen beschermen. In mijn beleving is het juist goed om ze niet overal bij te begeleiden. Teveel verwennen en koesteren maakt zelfs ongelukkig, las ik in een artikel over de ‘Pampergeneratie‘.

De goed-genoegmoeder huldigt het principe van ‘liefdevolle verwaarlozing’. Zielsveel houden van je kind, maar het juist daarom gunnen om zo snel mogelijk zelfstandig te worden. Loslaten, in hun belang en je eigen belang. Interesse tonen waar het moet, je afzijdig houden waar het kan. Toen de kinders klein waren bracht ik wekelijks uren door in de diverse speeltuinen van Utrecht-Oost. Geen ingewikkelde, geldverslindende uitstapjes naar sensationele pretparken – nee, zij vermaakten zich in de speeltoestellen, terwijl ik de krant las en gesprekken voerde met andere bankzittende ouders. De kinderen blij, ik blij. Toen ze ouder werden mochten ze al vrij snel zelfstandig op de fiets naar vriendjes. En nu ze volwassen en bijna-volwassen zijn, leven ze steeds meer hun eigen leven. Vriendin B. benoemde de rol van de pubermoeder heel fraai: ‘Je moet beschikbaar zijn.’ En zo is het. In ons driepersoonsgezin bespreken we de plannen: zij spreken met hun vrienden af, ik met de mijne. En tussendoor ben ik beschikbaar voor vragen. Hetgeen niet wegneemt dat er geregeld opvoedkundige gesprekjes plaatsvinden aan tafel of ’s avonds op de bank. Sturing blijft nodig. Intussen zien de kinderen dat hun moeder het naar haar zin heeft in het leven. En dat lijkt me een van de beste lessen die je je kinderen mee kunt geven.

Ploeter-, loeder-, bonus- of wat-dan-ook-moeder, misschien word je vandaag in het zonnetje gezet. Misschien ook niet. Maakt niet uit: je mag er zijn! Laat de boel de boel, verwen jezelf met een goed boek, een dagje sauna of een wijntje met vrienden. En realiseer je: het kan altijd beter, maar je bent goed genoeg.

 

 

 

 

 

ouderavond

Het is weer tijd voor de ouderavond. In mijn eentje fiets ik naar dochters school. Exgenoot kan niet mee. Hij doet zijn best om spijt te veinzen tijdens zijn telefonische afmelding, maar zijn stem klinkt toch vooral opgelucht. Licht triomfantelijk zelfs. En geef hem eens ongelijk. De informatieavond aan het begin van het schooljaar is een bezoeking. Ieder jaar weer.

Het ritueel op zo’n avond is altijd hetzelfde. Bij het betreden der school schenk ik mezelf een wegwerpbeker kookkoffie in en spoed me naar het aangegeven lokaal. Daar schud ik de mentor de hand en neem, nipt op tijd, plaats op de achterste rij (een goede gewoonte uit mijn eigen middelbare schooltijd). Een enkele te laat komende ouder ziet zich genoodzaakt een stoel uit een ander lokaal te halen omdat de ruimte uitpuilt van de goedwillende, betrokken vaders en moeders (meestal per kind het compléte ouderpaar). Dan steekt de mentor van wal. Hij stelt zich voor, deelt boekjes met het jaarprogramma uit en vult de rest van de avond met het bespreken van genoemd document. Bladzij na bladzij. Alsof we zelf niet kunnen lezen. Alsof we zelf niet zien wat de afkortingen OLA of STUVO betekenen. De mentor doet zijn best zijn praatje met snaakse grappen te verlevendigen (‘Direct na de herfstvakantie is de eerste PTA-week. Zit uw kind in de vakantie dus te luieren, dan is er iets niet in de haak.’).

Sommige ouders trekken wit weg bij het aanhoren van het jaarprogram. ‘Heeft u tips & tricks om ons kind voor te bereiden op de PTA-week?’, klinkt het mat vanaf de voorste rij. Ferm verwijst de mentor ons naar het externe huiswerkinstituut. Met daarbij als troost: ‘Heeft uw kind aan het eind van het jaar niet genoeg punten, dan kan het altijd nog naar de HAVO.’ Een siddering trekt door het broeierige klaslokaal.

Onvermijdelijk zijn de verhalen over individuele leerlingen: ‘Sophie vindt het zó zwaar; ze zit elke nacht tot twee uur aan haar huiswerk. Ik heb mijn baan opgezegd; mijn man blijft wakker om haar optimale ondersteuning te bieden. Heeft u advies?’ Gelukkig is de mentor zo verstandig deze moeilijke gevallen af te kappen, want inmiddels zit zelfs de braafste vader over zijn smartphone gebogen om te kijken of hij wellicht een sms’je heeft (ik geef het ruiterlijk toe, mijn appconversaties liepen gedurende de ouderavond gewoon door).

Ik adviseer de school om het volgend jaar heel anders aan te pakken. Laat ze toch een informatieboekjesborrel organiseren. Ouders kunnen elkaar dan met een glas en een bitterbal in de hand nuttige tips geven over de aanpak van hun procrastinerende puber. Eventueel kunnen ze zich tijdens de borrel met prangende vragen tot de mentor wenden. Of desnoods flirten ze wat met die leuke vader of moeder die ze tijdens het standaard ouderavondconcept alleen maar zwijgend in dat ongemakkelijke schoolbankje zouden hebben zien zitten. Als ík de rector was, zou ik het wel weten.

stiefmoedercolumns (5)

Van 2008 tot 2013 schreef ik columns voor Stichting Stiefmoeders. De stichting is sinds vorig jaar gefuseerd met stichting Nieuw Gezin. De columns zijn dus offline. Jammer. Voor mij is het stiefgezin inmiddels verleden tijd. Maar ik heb er mooie herinneringen aan. Mijn meest dierbare stiefmoedercolumns geef ik nu een plek op mijn blog, in het mapje ‘stiefgezin’. Dit zijn de laatste columns uit de reeks. Ze gaan over de rol van de stiefmoeder.  

 

Goed-genoegmoeder 

Als er één moeder geknipt is voor het goed-genoegmoederschap, dan is het wel de stiefmoeder. De Amerikaanse tv-persoonlijkheid Rene Syler introduceerde de Good-Enough Mother in 2007 en het begrip werd direct door de damesbladen omarmd. Een goede zaak, want de Nederlandse moeder mag best eens wat gas terugnemen. Ze perst haar werktijden in een vijfeneenhalf uur-per-dag-rooster zodat ze om 15.00 uur weer op het schoolplein staat (waarna de kinderen haar meedelen bij een vriendje te gaan spelen), checkt ’s middags thuis haar werkmail en vergadert maandelijks met de ouderraad. In de weekeinden is ze hockeycoach, bakt koekjes met de kinderen en struint het internet af om inspiratie op te doen voor een Cultureel Zondagmiddagprogramma. Een meditatieve natuurwandeling bijvoorbeeld, of een educatief museumtripje. Ze is een supermama. Altijd opgewekt, goed gekleed, kek gekapt en met een trendy ingericht huis. Maar zondag zit ze tot diep in de nacht met asgrauwe gelaatstrekken aan de keukentafel prinsessentraktaties voor de jarige dochter te maken. Dodelijk vermoeid tekent ze blije gezichtjes op roze kartonnetjes en bevestigt met fleurige linten doosjes biodynamische rozijnen aan crêpepapieren prinsessenrokjes. Het kinderfeest haalt ze nog net. Daarna stort ze in. Nee, supermama’s hebben het niet makkelijk. Ze willen alles perfect. En dat is onmogelijk.

Rene Sylers pleit in haar boek Good-Enough Mother voor een meer realistische kijk op het moederschap. Ik ben een enthousiast aanhanger. Vooral omdat het zo uitermate geschikt is voor de stiefmoeder. Natuurlijk, voor élke moeder is het een verademing om wat meer los te laten. Bijvoorbeeld door de kinderen eens met  pizza voor de tv te zetten, supermarktcake als traktatie mee te geven en ze zelf hun kleren te laten vouwen. De stiefmoeder echter kan er alleen maar gelukkiger van worden als ze gepaste afstand bewaart tot haar bonuskinderen. Koopt ze kleren voor haar stiefdochter, dan zijn die namelijk per definitie lelijk. Geeft ze haar man een opvoedadvies, dan mag ze zich nergens mee bemoeien. En oppert ze zorgzaam dat het misschien weer tijd wordt voor een bezoekje aan de oogarts, dan krijgt ze de wind van voren. Nee stiefmoeders, klem je kaken op elkaar. Draai stilletjes de was van je stiefkinderen. Doe boodschappen voor ze, blaas ballonnen op voor hun verjaardagsfeest, betaal hun abonnementsgelden, behang hun kamer, geef ze iedere avond een voedzame maaltijd, rijd ze naar de klassenavond en luister zonder commentaar naar hun verhalen. Dat is goed genoeg. Méér dan goed genoeg.

Stiefloeders 

Stiefmoeders zijn valse vrouwen. Dat is algemeen bekend. Het zijn sluwe serpenten die de kunst verstaan de tere kinderziel te krenken en in één moeite door de onschuldige bijbehorende moeder tot op het bot te kwetsen. Biologische moeders daarentegen zijn voorbeelden van warmte en betrokkenheid. Liefdevol verzorgen zij hun kinderen. Vol aandacht zitten ze dagelijks na schooltijd klaar met thee en koekjes, begripvol luisterend naar verhalen over leraren, cijfers en andere narigheid. Moeders zijn iconen van geduld en zorgzaamheid. Stiefmoeders niet. Zij kunnen niet tippen aan de kwaliteiten van de vrouw die haar stiefkinderen op de wereld heeft gezet.

Maar kijk nu eens wat er gebeurt als je moeder en stiefmoeder samenbrengt. Ineens blijkt biomam een grotere feeks dan verwacht. Sowieso is het gedrag van vrouwen onder elkaar een aandachtspunt. Al ziet het er vaak gezellig en übersociaal uit, het lijkt wel in de vrouwelijke natuur te zitten om seksegenoten keihard onderuit te halen. Vooral moeders kunnen er wat van. Het begint al op het consultatiebureau. Met een meewarige blik op de dichtstbijzijnde dreumes lispelt één van de moeders liefjes: ‘Goh, heeft jouw kind nog steeds een flesje? Mijn dochter dronk met vier maanden al uit een beker. Ze heeft het kinderdagverblijf overgeslagen, sinds een paar maanden zit ze in groep 1.’ Of neem de kwestie werkende moeder – thuisblijfmoeder. Genadeloos nemen vrouwen elkaar de maat. ‘Jannie werkt v-i-e-r dagen. Onbegrijpelijk! Ik ben er áltijd voor mijn kinderen. Ze hebben me hard nodig, zéker nu, op de basisschool.’

De strijd tussen biomam en stiefmoeder is van dezelfde orde. Stiefmama is het per definitie niet eens met de opvoedkwaliteiten van Echte Moeder. Ze is te makkelijk, te toegeeflijk. Of juist veel te streng. Ze stookt haar man op tegen zijn ex: ‘Praat toch eens met haar!’ ‘Dóe er wat aan!’ En biomam beluistert wantrouwig de verhalen van haar kinderen en denkt: ‘Waar bemoeit deze vrouw zich mee, het zijn toch míjn kinderen!’ Met de valsheid die vrouwen eigen is, tarten ze elkaar waar ze maar kunnen. Het liefst natuurlijk vilein, onder de gordel. Bijvoorbeeld via de sociale media. Stiefmama stuurt honigzoete berichtjes naar bonusdochter om biomam de ogen uit te steken. En Echte Moeder slingert expres artikelen over de belangwekkende rol van biologische ouders de wereld in, zodat stiefmama het ook eens van een ander hoort.

Maar hoe zit het dan met vrouwen die biomam én stiefloeder zijn? Zij hebben meestal de stief- en eigen kinderen tegelijkertijd om zich heen. Een hele kunst om het ene kind met stiefmoederlijk dedain te behandelen, terwijl het andere doodgeknuffeld wordt. Dat trekt zelfs de meest valse kenau niet. Nee dames, er zit er niets anders op dan te stoppen met kiften. In het belang van onze toekomst: de kinderen. Zo zie je maar weer hoe eenvoudig het is. De wereldvrede begint bij ons, (stief)moeders.

De stiefmoeder op social media

Stiefmoeders zijn vreselijke vrouwen. Feeksen zijn het; valse serpenten die het krenken van tere kinderzieltjes tot een hoger levensdoel hebben verheven. Veldonderzoek via het wereldwijde web toont het ons klip en klaar: de stiefmoeder zorgt voor veel persoonlijk leed. Speciaal voor jullie nam ik een kijkje op enkele social-mediasites. Om te beginnen op Hyves en Facebook. Volstaat allemansvriend Hyves nog met één lotgenotengroep, de ‘anti-stiefmoederhyve’; Facebook heeft voor het Nederlandstalig gebied maar liefst vijf groepen, met titels als ‘irritante stiefmoeders’, ‘stiefmoeders, schiet ze naar de maan’ en andere, iets minder beschaafde namen. Omdat ik stiefmoeders zelf reuze mee vindt vallen, sluit ik me niet bij deze groepen aan – een voorwaarde om van de berichtgeving kennis te kunnen nemen. Helaas kan ik daarom inhoudelijk niets over deze groepen melden.

Gelukkig hebben we het transparante Twitter nog. Twitter heeft niets te verbergen. Het is zo simpel: vul het zoekwoord ‘stiefmoeder’ in en je beeldscherm stroomt vol kommer & kwel. De mededeling ‘Ik haat me stiefmoeder’ komt in vele varianten voor – een kernachtig bericht, echter weinig informatief. Maar er zijn tweets te over die zich wél lenen voor een nadere  analyse. Ik citeer er een paar:

  • Me stiefmoeder wil dat ik de muziek zachter zet. EGT nie!!!
  • ‘gezellig’ tv kijken met me vader en stiefmoeder
  • Ik weet 100% zeker dat niemand ze stiefmoeder gieriger is dan die van mij…
  • Jongeeeee mij stiefmoeder is echt een (hier stond een heel lelijk woord) pfff al mij witte kleren zijn half roze

Afschuwelijke vrouwen toch? Gierig zijn ze. Opdringerig ook: vragen of de muziek zachter mag in huis; brutaalweg samen met man en stiefdochter meekijken naar de tv op zaterdagavond, hoe verzinnen ze het? Maar dat laatste Twitterbericht slaat alles. Stiefzoons kostbaarste bezit, al zijn witte kleren, half roze. Had stiefmoeder dat nieuwe rode katoenen topje, dat stiefdochter alvast in de wasmachine had gestopt omdat ze het koste wat kost tijdens haar wekelijkse stapavond  weer aan wilde trekken, nou niet éven uit de trommel kunnen halen voor ze haastig de witwas erin duwde, omdat stiefzoon zijn voetbalkleding zaterdagochtend weer nodig had? Ongelooflijk, wat een stupiditeit.

Het is volkomen duidelijk: stiefmoeder doet er wijs aan zich pas weer in het leven van haar geliefde te vertonen op het moment dat zijn nageslacht zich niet meer weekeindregelingsgewijs aandient. Hoewel, zelfs dat valt te betwijfelen, getuige deze tweet van een ongelukkige bonusdochter: ‘Heb ZO geen zin om naar de 60e verjaardag van mijn stiefmoeder te gaan.’ Ja, zelfs als ze de nieuwe vrouw van hun vader amper nog tegenkomen wordt er door Neerlands stiefkroost nog volop over haar geklaagd. En terecht. Dragonders zijn het, die stiefmoeders. Allemaal.

Klagen mag 

De slingers, taart en cadeautjes heb ik gemist. Het jubileum is stilletjes aan me voorbijgegaan. Toch was het afgelopen zomer zover: ik ben alweer tien jaar stiefmoeder. Een hele prestatie, al zeg ik het zelf. ‘Wat is het geheim?’, vragen jullie je natuurlijk af. Eerlijk gezegd: geen idee. Stug doorgaan, denk ik. Maar goed, omdat jullie zo aandringen: vijf tips van een ervaringsdeskundige.

  1. Probeer niet leuker te zijn dan biomam. Je verliest het toch. Sloof je vooral niet uit met doodvermoeiende knutselmiddagen, cupcakebakkerijfestijnen en overdreven verwennerij. Ook al geef jij je bonuskinderen van 8.00 tot 20.00 u non-stop aandacht gedurende de 150 dagen per jaar dat je ze ziet, als hun eigen moeder één keer per decennium koekjes met haar kinderen bakt wordt dat hun beste jeugdherinnering – en niet het origamidierenpark dat jij met ze hebt gevouwen.
  2. Neem tijd voor jezelf. Pak een dagje sauna of ga met vriendinnen naar Antwerpen in het weekeind dat hij zijn kroost over de vloer heeft. Jij komt uitgerust terug, met genoeg energie om hem op te vangen na twee volle dagen qualitytime met zijn kinderen.
  3. Laat je kinderen zien dat je kiest voor je man. Ben je niet alleen stiefmoeder, maar heb je ook eigen kinderen? Wees wijs en laat alle kinderen in het gezin zien dat je houdt van je man. Dan weten ze waar ze het voor doen. Gekibbel tussen jou en je ex nemen de kinderen voor lief. Maar één woordenwisseling met je nieuwe partner is voor hen al reden om te denken: ‘wat doet mijn moeder toch met deze man die ik “stiefvader” moet noemen?’
  4. Vermijd kampdenken. In het verlengde van tip 3: voorkom getouwtrek tussen jouw kamp en het zijne. Een lastig advies, want het is logisch dat je je eigen kinderen leuker, slimmer en aantrekkelijker vindt dan de zijne. Toch is het belangrijk om één lijn te trekken en elkaar openlijk te steunen. Maak eenduidige regels en afspraken voor het samengestelde gezin. Roep nieuwe tradities in het leven. En geef je man altijd gelijk, ook al denk je er het jouwe van. Streel zijn ego. Dat helpt.
  5. Klagen mag. Een kwartier per dag. Ben je de wanhoop nabij? Alle begrip! Het ís ook onaangenaam om je jarenlange belangeloze inzet beloond te zien met niet-aflatend commentaar van man en bonuskinderen. Maar eindeloze klaaglitanieën helpen je bepaald niet verder. Schrijf je ellende van je af, stap in een praatgroep of neem een mood-app op je telefoon. Ga daarna met opgeheven hoofd weer verder. Als de kinders volwassen zijn, zul je merken dat ze je stiekem best een beetje leuk vonden. En dat is het grootste compliment wat je kunt krijgen. Je bent namelijk een kei, ook al zegt niemand dat ooit tegen je.

‘Klagen mag’ was de laatste column die ik schreef voor Stichting Stiefmoeders. Dat was in december 2013. In oktober 2014 eindigde de relatie met de vader van mijn stiefdochters. 

stiefmoedercolumns (4)

Van 2008 tot 2013 schreef ik columns voor Stichting Stiefmoeders. De stichting is sinds vorig jaar gefuseerd met stichting Nieuw Gezin. De columns zijn dus offline. Jammer. Sinds mijn relatiebreuk in oktober 2014 is het stiefgezin voor mij verleden tijd. Maar ik heb er mooie herinneringen aan. Mijn meest dierbare stiefmoedercolumns geef ik nu een plek op mijn blog, in het mapje ‘stiefgezin’. Steeds met zes of zeven columns tegelijk. 

 

Patchworkfamilywoning 

De Boulevard of Broken Dreams: dat is de geuzennaam van de straat waar wij de afgelopen jaren woonden. En inderdaad – in onze straat komen de statistieken tot leven. Slachtoffers van zowel het verbroken Vinex-samenlevingscontract als het op de klippen gelopen jaren-’30-hoekwoninghuwelijk komen in één van de flatgebouwen aan onze Boulevard weer geheel op adem. De eenzame alcoholist bijvoorbeeld. De blonde atleet op de twaalfde verdieping, die zijn co-ouderschap zo geregeld heeft dat hij ieder weekeind zonder kinderen doorbrengt en op die manier steeds weer andere plaatselijke schoonheden in zijn appartement kan inviteren. En de Pretvader, die twintig weekeinden per jaar van Artis via Slagharen naar Blijdorp hopt en zijn kinderen des zondagavonds compleet dolgedraaid weer bij moeder aflevert. De meeste nieuwe bewoners echter zijn pasgescheiden mama’s met schoolgaande kinderen, die bijna fulltime de zorg voor het kroost op zich nemen. Een paar jaar wonen ze naar volle tevredenheid alleen, drinken borrels met elkaar en organiseren barbecues op het gras achter het huis – tot ongenoegen van de oorspronkelijke flatbewoners; verongelijkte bejaarden die het wél moeiteloos voor elkaar krijgen hun gouden bruiloft te vieren (en dan niet op het gazon achter de flats natuurlijk). Nee, voor hen geen Broken Dreams.

Maar dan begint het bij de alleenstaande moeder te knagen. Een volgende fase in haar leven breekt aan. De fase waarin een nieuwe partner figureert met meestal óók een kind of twee in zijn kielzog. Op dat moment voldoet de Boulevard niet meer. Een nieuwe droom dient zich aan. Over een huis-met-tuin in een nieuwbouwwijk bijvoorbeeld. Of over een jaren-’30-hoekwoning.

Zo ging het ook bij ons. Na jarenlange ergernissen over de badkamer waarin we ’s ochtends met z’n zessen opeengepakt onze tanden stonden te poetsen en de keuken zó volbehangen met kastjes dat de anderhalve meter van gasstel naar koelkast slechts ruggelings afgelegd kon worden, waren we het zat. Meer ruimte graag, meer lucht! Temeer omdat het in een stiefgezin nog wel eens wil helpen elkaar nét even wat minder vaak tegen te komen. Na langdurig speuren vonden we de ideale patchworkfamilywoning. Geen Vinex, geen jaren ’30 – maar toch. We gaan verhuizen. Het droombestaan begint.

Verhuizen

 ‘Mama, waarom verhuizen wij zo vaak?’, vraagt zoon, terwijl hij een stapel X-boxspellen in een doos laat glijden. ‘Opa en oma verhuizen nooit.’ Het kind heeft gelijk. Maar ja, de opa’s en oma’s zijn geen van allen gescheiden, dus wonen ze al tientallen jaren op hetzelfde adres. Relatiecrashes daarentegen leiden onherroepelijk tot verhuisbewegingen. Terwijl het doorsnee gezin ‘wooncarrière’ maakt, zijn mijn kinders van doorzonwoning via vierkamerflat naar maisonnette getrokken – en dan heb ik het alleen nog maar over de verhuizingen bij mij. Met hun vader bewoonden ze tijdelijk antikraak een gemeentewoning naast de begraafplaats. Je maakt nog eens wat mee als KVGO’tje.

Verhuizen is nooit mijn hobby geweest, maar de move naar onze patchworkfamilywoning was toch wel een huzarenstukje. Hoewel de verhuizing na mijn scheiding (met als dieptepunt van de boedelverdeling de verbeten strijd om een BK-hapjespan) er ook aardig inhakte, is het dit keer de ontstellende hoeveelheid uit te zoeken speelgoed, kleren, boeken, vazen en andere materiële narigheid die me de das omdoet. Nu pluk ik de wrange vruchten van mijn achteloze bewaarbeleid: stapels tijdschriften hoog opgetast achter de bank, vele nog in het cellofaantje; manden vol kindercadeautjes met de oranje ‘NU! Twee voor de prijs van één!’-sticker er nog op, helaas al jaren niet meer geschikt voor de doelgroep; stapels te kleine kleertjes voor kinderen van vriendinnen, die tegen de tijd dat het gelukt was een etentje af te spreken ook voor hún kinderen twee maten te klein bleken te zijn. Avond aan avond ben ik, na werktijd, met vier kinderen aan het sorteren: het paarse prinsessenkasteeltje, moet dat nog mee naar het nieuwe huis? De Bert-en-Erniebadjas, de Happy Meal-frutsels, de kleuterknutselwerkjes, de vergeelde uitnodigingen van verjaarspartijtjes uit 2007? En liggen de kinderen eindelijk te bedde dan zijn onze eigen kasten aan de beurt. Karrenvrachten vol overbodigheid brengen wij naar vuilstort en kringloopwinkel. We leveren een ware opruimslag – zónder hulp van een professional organizer.

En wie verzorgt de emotionele verwerking van het evenement? Juist. Dat doet (stief)moeder. De man boort, zaagt, verft en timmert, met concrete resultaten die leiden tot veel ooooh’s en aaaah’s. Wat een handige schoenenrekjes! Gladgesausde muren! En welk een ideale plankjes in het berghok aan de muur! Terecht: het resultaat mag er zijn. Maar dat hij gedurende twee maanden slechts sprak over vierkante meters, RAL-kleuren en schroefboorgaten, dat weet de buitenwereld niet. Dat de stiefdochters gedurende al die weken hun moeilijke momentjes met bonusmama moesten delen (pa was immers fysiek én mentaal afwezig) was niet altijd leuk – toch schept het wel een band. Het samen uitzoeken van hun spullen, het inrichten van hun kamer, het wennen aan de nieuwe woning: dat onzichtbare proces staat toch maar mooi in hun geheugentjes gegrift. In een fotoalbum dat niet kwijt kan raken. Zelfs niet bij een verhuizing.

Kind van Gescheiden Ouders 

Het lijkt een sprookje: twee keer je verjaardag vieren, twee keer Sinterklaas, twee keer op vakantie -welk een walhalla! Als ouders van een KVGO’tje kun je met luchtig gebabbel de kwalijke gevolgen van je besluit weg proberen te wuiven; de scheiding heeft op kinderen echter blijvende invloed. Nog jarenlang krijg je regelmatig de vraag ‘waarom gingen jullie ook weer scheiden?’ voorgelegd. En denk je dat de kwestie negen jaar na dato wel is afgehandeld, dan klinkt er ineens uit een kindermond: ‘Mama, als papa nou gaat scheiden is hij weer alleen –  dan ga je zeker naar hem terug?’

Nee, het leven van een Kind van Gescheiden Ouders valt niet mee. Maandag bij papa, dinsdag tot en met donderdag bij mama, in de vakantie eerst twee weken bij mama en stiefpapa, dan een week bij papa … Gelukkig zijn er deskundigen genoeg om totale verwarring te helpen voorkomen. Het gebroken gezin is een gat in de markt. Er zijn planborden te koop die met mannen- en vrouwenplaatjes (en, voor gevorderde exen, de mogelijkheid tot het plaatsen van een echte foto van de voormalige levensgezel) aangeven wat de papa- en mamadagen zijn. Ook bestaan er agenda’s waarin de inktzwarte realiteit van de opdeling teniet wordt gedaan door vrolijk gekleurde blokkenschema’s en opgewekte pictogrammen. En dan zijn er natuurlijk de talloze prentenboeken en jeugdromans met titels als ‘Ik Woon In Twee Huizen’, ‘Heen En Weer’ en ‘Dag Papa,Tot Volgende Week’.

Tot overmaat van ramp krijgt het KVGO’tje ook nog met bemoeizuchtige stiefmoeders te maken – listige dames die het altijd beter weten dan echte moeders. Persoonlijke bedenkingen tegen biomam krijgt het kind via stiefmoeder op semi-subtiele wijze terug. ‘O, heeft mama gezegd dat roze koeken niet goed voor je zijn? Onzin. Hier, neem er nog maar één!’ Lafhartig wreekt stiefmoeder de vanzelfsprekende loyaliteit van de bonuskinderen aan hun eigen ouders door ze schromelijk te verwennen. Op andere momenten echter weet ze hen weer slinks te negeren. Bijvoorbeeld als biomam iets naars uitspookt om haar ex-geliefde te dwarsbomen. Vader merkt dit alles niet op: hij is allang blij dat er weer een vrouw in huis is die zich om de was, de maaltijd en de kinderen bekommert.

Laten we het onder ogen zien: vader en moeder onder handbereik, dát is de wens van ieder kind. Zo zag ik op tv een meisje dat een hartverscheurende tekening maakte van haar droomwoning. De kinderkamer situeerde zij in het centrum van het huis, met een deur naar het territorium van vader en een deur naar moeders grondgebied. Een bonusmoeder, hoe aardig, hip en gezellig ook, past niet in dit sprookjesachtige beeld. Voor kinderen horen stiefmoeders thuis in heel andere sprookjes.

Hebben

Een baby is een felbegeerd knuffelobject. Als de rechtmatige ouders niet uitkijken wordt het snoezige hoopje mens 24 uur per dag bedolven onder de liefkozingen van grootouders, buurvrouwen en winkelpersoneel. Ook dreumesen en peuters mogen zich in de warme aandacht van jong en oud verheugen. Na het derde jaar echter neemt de attractiewaarde van kinderen met de maand af – tot op het niveau dat volwassen omstanders ze uitsluitend nog als geluidsoverlast veroorzakende vandalen ervaren. De ouders hebben het al veel eerder opgegeven, geplaagd door roofbouwplegende slapeloze nachten, permanente verkoudheden en broertjes en zusjes die elkaar stelselmatig de hersens inslaan. Het ooit zo strakke bankstel is gevlekt en pluizig, de vloeren kaal, de eens zo vrolijk beschilderde wanden dof. Net zo dof als de blik van de intens vermoeide ouders. Hun ogen lichten alleen nog op bij een aanbod dat tot een verlossende logeerpartij kan leiden. Bliksemsnel wordt het kind bij het genereuze familielid of de vage kennis afgeleverd, met daarbij de semi-grappige toevoeging ‘Breng hem gerust pas over twee weken terug!’ Ironisch, maar met een zorgwekkend serieuze ondertoon.

Totdat vader en moeder gaan scheiden. Dan verworden de kinderen van last tot lust. Van een vanzelfsprekend aanwezige entiteit verandert zoon of dochter in een bezit. Gesprekken gaan plotsklaps over ‘hebben’, niet meer over ‘zijn’. ‘Zijn’ is van een achteloze terloopsheid. ‘Zijn’ is bestaan, is ademhalen. ‘Hebben’ niet. ‘Als ik mijn kinderen heb, wil ik van ze genieten,’ zeggen solovaders en –moeders. Het kind als entertainment. Het kind als hebbeding. Een hebbeding dat gekoesterd wordt. Zoon of dochter moet zich waarmaken, moet vader en moeder iets opleveren. Zoals elk bezit de investering waard moet zijn. Maar helaas: een kind is geen bezit. Het is een mens met nukken en grillen. Iemand die niet voortdurend van barbecue naar pretpark getransporteerd en aan familie en vrienden geëxposeerd wil worden.

Wat is stiefmoeders nuchtere inbreng dan een zegen. Zij plaatst de kinderen in het juiste perspectief: ‘Wanneer zijn ze er?’ is voor haar de centrale vraag. Of, misschien correcter: ‘Wanneer zijn ze er níet?’ En áls ze er zijn, redeneert zij, dan willen die kinderen gewoon wat klungelen en rondhangen. Bij zowel vader als moeder moeten ze zichzelf kunnen zijn. Een knuffel of aai over de bol kan het kind daarbij best gebruiken. Net als dat schattige baby’tje van weleer. Want (stief)ouders moeten er voor hun kinderen zijn. Kinderen niet voor hun ouders.

Was

Met weemoed denk ik terug aan de tijd dat mijn kinderen, dreumesen nog, blijmoedig voor het glazen deurtje van de wasmasjien hurkten. Het schommelende wasgoed, het klotsende water, het schuimende sop: daar kon geen aflevering van de Teletubbies tegenop. Vooral als de knuffels achter het glas verdwenen steeg de kinderlijke opwinding. Met 1400 toeren per minuut roteerde het lievelingsdier achter het wasmachinevenster, het apen- of berensnoetje onaangedaan tegen de ruit gedrukt – om dan zonder een spoortje hersenletsel, geurend naar dennennaalden, uit de trommel tevoorschijn te komen. Een wonder.

De belangstelling voor het wasritueel verdween tijdens de basisschoolperiode. Tijdelijk. Want intussen heeft de was opnieuw de bijzondere aandacht van het kroost. Sterker nog, het is minstens eens per week onderwerp van gesprek. Allereerst is de frequentie een agendapunt. Stiefdochter liet zich onlangs ontvallen dat er naar haar mening in ons huishouden te weinig gewassen wordt. Dit nadat zij geconstateerd had dat haar favoriete strakke crèmekleurige truitje (een totáál ander type dan de overige zeven strakke crèmekleurige truitjes die ze bezit) op dinsdagochtend nog steeds niet gewassen, gedroogd en gestreken was na het op maandagavond in de wasmand te hebben gedeponeerd.

Nu heeft zij hier een punt. Want als ik andere moeders hoor verzuchten dat ze íedere dag een was draaien, dan denk ik: hoe is het mogelijk? Dat krijg je toch enkel en alleen voor elkaar als je zes kinderen hebt die iedere nacht beurtelings het beddengoed onderkotsen? Of een paar zonen die drie keer per week voetbaltraining hebben op een zwaar bemodderd veld? In ons gezin is dit alles gelukkig niet aan de orde. Ik ben waarschijnlijk een slechte moeder, maar hier in huis is het verboden een spijkerbroek reeds na één dag dragen in de was te doen.

Een ander twistpunt betreft het opruimen van gevouwen kleding. Stápels wasgoed vouwen en vervolgens vier kinderkamers af om de kleding in de kasten te leggen: ik doe het niet meer. Deze hotelservice is voorbij. Dit leidt ofwel tot gemopper, ofwel het stoïcijns negeren van gevouwen wasgoed op de trap. Nog liever slaat men, met het risico op verzwikkingen of spierscheuring, zes traptreden over dan dat men het klaarliggende wasgoed mee naar boven neemt.

Tot slot hebben we te maken met ernstige vormen van kledingverwisseling. De pubers hier ten huize gaan op dusdanig identieke wijze gekleed dat ik werkelijk niet kan onthouden welke spijkerbroek, meisjesonderbroek of welk crèmekleurige truitje van wie is. En dan zwijg ik nog over de 84 sokken per week die erdoorheen gaan. Radeloos word ik ervan. En dat begrijpen de kinderen niet. Meerdere malen per week komt dit moederlijk falen me op verontwaardigde blikken te staan.

Ik denk dat ik maar stop met dit corvee en de kinderen bij toerbeurt naar de wasserette stuur. Dat zal ze leren.   

Liefdesbaby

Een vrouw wil een kind. Nou ja, bíjna elke vrouw. Ook als haar vent al lang geleden vader werd – ooit, toen hij nog met die ander was. Maar niet elke man wordt blij als zijn nieuwe vlam over een baby begint. De man vindt het wel best – hij heeft toch al nakomelingen op de wereld gezet? Waarom dan nóg een kind erbij? Dat geeft alleen maar gedoe, redeneert zo’n man. Maar de vrouw zet door. Leuk dat hij al kinderen heeft, ze zijn best lief en goed gelukt, maar een eigen zoon of dochter is haar diepste wens. En dus komt er een ‘tweede leg’, zoals deze kinderen ook wel geringschattend worden genoemd. Terwijl van een mannelijk leggen weinig sprake is: de vrouw doet immers het zware werk. Maar dat terzijde.

Dan is er nog een tweede categorie vrouwen met kinderwens: zij die al moeder en stiefmoeder zijn, maar nóg meer kinderen willen. Een kind van haar nieuwe man: een echte liefdesbaby. ‘Herman is het ontbrekende puzzelstukje in ons gezin,’ lezen we op het geboortekaartje van dit kind.

Ik snap deze vrouwen wel. Toch is dat ontbrekende puzzelstukje er bij ons nooit gekomen. Natuurlijk was de komst van een kleintje in die begintijd af en toe onderwerp van gesprek (en vermoedelijk was ík degene die dat gesprek begon). Een baby’tje is lief. Dat valt moeilijk te ontkennen. Zo’n schattig hoopje mens met blozende appelwangen, een wezentje dat nog wél opgetogen reageert als zijn liefhebbende ouders in het vizier komen, in tegenstelling tot de drakerige pubers die zwijgend naar hun iPod- of Xbox-scherm blijven staren als moeder na een lange werkdag de woonkamer betreedt. Op avonden met wijntjes en kaasjes van de delicatessewinkel prevelde ik heus wel eens dromerig: ‘Hoe zou een kindje van ons tweeën eruitzien?’. Maar een kind op de wereld zetten alleen om deze nieuwsgierigheid te bevredigen: nee. De nuchterheid won het keer op keer van de romantiek. En de man bracht fijntjes de poepluiers, het gedrein en de peuterpuberteit in herinnering. Wilde ik weer van voren af aan beginnen met de riedel borstvoeding – flesvoeding – fruithapje – tandjes – zwemles? Nee, realiseerde ik me toen: blij dat ik daarvan af ben. Bovendien heeft een víjfde toch wel iets 18e-eeuws. En wat dacht je van de weekeindregeling? Twaalf dagen per twee weken vier kinderen opvoeden is een fluitje van een cent – maar daarna twee dagen even tijd voor jezelf is, eufemistisch uitgedrukt, ook erg aangenaam. Om niet te zeggen bittere noodzaak. Met Herman erbij hadden we dit kinderloze weekeind met goede gesprekken, spijs en drank, theater- en vriendenbezoek en een rustgevende wandeling of nooit meer gehad.

Ik geef toe dat een liefdesbaby wel iets had kunnen betekenen voor de saamhorigheid in het gezin. Maar daar hebben we nu de katten voor. Zo’n kat, die vindt iederéén lief. En alle vrouwen in het gezin zijn vervuld van een gemeenschappelijk afgrijzen als de kat weer eens een half afgeknaagd, bloederig muisje de huiskamer binnensleept. Naast de gesprekken aan tafel en de gezamenlijk beleefde ups & downs in onze mixed family geeft dat wel saamhorigheid genoeg. Voor mij is de legpuzzel compleet.

stiefmoedercolumns (3)

IMG_0779Van 2008 tot 2013 schreef ik columns voor Stichting Stiefmoeders. De stichting is sinds vorig jaar gefuseerd met stichting Nieuw Gezin. De columns zijn dus offline. Jammer. Voor mij is het stiefgezin inmiddels verleden tijd. Maar ik heb er mooie herinneringen aan. Mijn meest dierbare stiefmoedercolumns geef ik nu een plek op mijn blog, in het mapje ‘stiefgezin’. Steeds met een paar columns tegelijk. In deze derde reeks: de zomervakantie

 

 

Liefmoeder met bonuskinderen

Zomer 2002. Voor het eerst op vakantie als alleenstaande moeder. Niet naar een villa-aan-zee in het zonnige zuiden – nee, het wordt de Noordzee dat jaar. Een natuurvriendenhuis aan zee. De eerste avond breng ik de kinders naar bed en betreedt met boek en thee de tuin. Maar lezen, daar komt het niet van: een groepje mede-alleengaanden schenkt me kordaat een wijntje in. Ademloos luister ik naar grappen en gruwelverhalen uit een wereld die de mijne niet is. Een wereld waarin (h)exen, biomoeders en KVGO’tjes (Kinderen Van Gescheiden Ouders) figureren. Ik leer een inspirerend nieuw vocabulaire die vakantie.

Kort daarna komt er een gescheiden vader voorbij in mijn leven. En nu ben ik alweer jaren stiefmoeder in een patchworkfamily. Zelf heb ik niet veel moeite met het woord stiefmoeder. Die Sneeuwwitje-en-de-boze-stiefmoederassociaties, ik heb er geen last van. Om me heen hoor ik echter veelzijdige alternatieven voor het gehate S-woord. ‘Halfmama’ bijvoorbeeld. Of ‘meemoeder’. Op Stiefmoederdag, een tweejaarlijks evenement georganiseerd door Stichting Stiefmoeders, vertelde een vrouw: ‘Ik ben een zorgvrouw voor de kinderen van mijn man. Ik ben hun moeder niet, ik zorg alleen maar voor ze. De biomam, dat is de moeder.’

Ook voor andere leden van het nieuw samengestelde gezin bestaat een complete begrippenlijst. Op de LinkedIngroep van Onze Taal stond een discussie over benamingen in het mikadogezin. Daar kwam ik de term ‘leasekinderen’ tegen – met daarbij de connotatie ‘maar aan wie kun je die kinderen dan teruggeven na een jaar of vier?’. Verder las ik de termen aanleunbroer, nabij-zusjes en liefmoeder. Ook ‘bonuskinderen’ en ‘cadeaukinderen’ werden genoemd. In een column in Trouw schreef een vrouw over haar ‘relatiegeschenk’: een kind als extraatje bij de nieuwe partner. Mooie woorden – maar niet iedereen zal de kinderen van een nieuwe partner als zo’n geschenk ervaren …

In België ijvert een groep ouders voor het vervangen van het voorvoegsel ‘stief’. Op hun site staat te lezen: ‘Wij willen aantonen dat een stiefouder geen hinderpaal is, maar een hulp bij de ontwikkeling van kinderen. Een plusouder dus.’

Mijn stief-/bonus-/extradochters zeggen gewoon Olga tegen me. Maar of ze me ook altijd als ‘plusouder’ en ‘liefmoeder’ beschouwen…? Ik doe m’n best!

Einde schooljaar

Het schooljaar is bijna voorbij. Dodelijk vermoeide ouders spoeden zich als geestverschijningen van het ene einde-seizoensevenement naar het andere. Afsluitende etentjes op het werk, buurtbarbecues, een borrel van de vrijwilligersvereniging. Met de laatste restjes energie die je in je hebt red je het nét, die eindspurt naar de zomervakantie. School en kinderclubjes daarentegen lijken er genoegen in te scheppen om driekwart van de activiteiten van een heel jaar in deze twee weken te comprimeren. Kind 1 heeft een piano-uitvoering, kind 2 een tennistoernooi (‘uw kind speelt maandag van 16.30-18.30 uur, woensdag van 13.00 – 15.00 uur, donderdag van 19.30-21.00 en zaterdag van 11.00 – 12.00 uur.’). Dan hebben we de zwemvierdaagse van kind 3 en 4 (‘wij zoeken nog ouders die om 14.00 uur mee kunnen lopen naar het zwembad, de kinderen helpen met omkleden en met ze teruglopen naar de school’) en als klap op de vuurpijl de avondvierdaagse. Samen met andere hologige, door overbelasting kromgetrokken ouders (en een enkele niet-werkende, woestmakend bruinverbrande en montere moeder) verzamel je je dagelijks met kroost op het veld, om daarna vrijwillig te voet tien kilometer door de provincie te trekken. Totaal ontwrichtend is het tijdstip waarop de vierdaagse begint – namelijk op dat uur waarop je normaalgesproken uitgeput, met jengelende kinderen in je kielzog, een laptoptas in de ene en een boodschappentas in de andere hand, na een werkdag de sleutel in het slot steekt. Het enige voordeel van deze starttijd is dat je niet hoeft te bedenken wat de pot schaft. Het hele gezin eet vier dagen boterhammen met kaas, geschrapte worteltjes en dropveters.

De periode vlak voor de zomervakantie legt de status aparte van het stiefgezin genadeloos bloot. Muziekuitvoeringen en sporttoernooien zijn gelegenheden bij uitstek om met de hele familie bij te wonen. In ons gezin gebeurt dat niet. Of in zeer wisselende samenstelling. Bij de musical in groep 8 mag ieder kind vijf toeschouwers meenemen. Maar mijn zoon heeft vier ouders, drie zusjes en zes opa’s en oma’s. Wie zijn dan de uitverkorenen? En zo zijn er nog heel wat andere dilemma’s tijdens die laatste dagen van het schooljaar.

Gelukkig is het bijna vakantie. Nog een paar hobbels te nemen voordat het zonnige zuiden lonkt. En dan gaat het gebeuren: we gaan Genieten. Echt waar.

Zomerpicknick

Daar zitten we weer. Op de jaarlijkse schoolpicknick. Juni, op december na de meest dramatische maand van het jaar, is bij uitstek zo’n maand waarin er elke week nóg wel een activiteit bij kan. Muziekuitvoeringen, het tennistoernooi, de eindmusical, de toetsweek en de niet aflatende stroom briefjes als ‘wilt u uw kind 5 euro meegeven voor’ en ‘wij zoeken hulpouders die willen rijden naar’. En dan heb ik het alleen nog maar over de schoolverplichtingen. Ook het werk vraagt altijd nét even een tandje meer in die laatste weken voor het grote reces. Deadlines, zomernetwerkborrels, businessbarbecues, haringparty’s: je probeert het allemaal bij te benen, en dat lukt ternauwernood. De man, toch al nooit vies van een gezonde dosis overwerk, zorgt daarnaast voor een zinvolle invulling van jouw schaars overgebleven tijd. Op slinkse wijze plempt hij een paar keer per week een ‘afspraakverzoek’ in je mailbox – een slimme manier om de confrontatie te mijden, want of je nou wel of niet op ‘accepteren’ klikt, híj heeft zijn best gedaan. En zo zit je, als moederkloek tegen wil en dank, avond aan avond in je eentje een vorkje te prikken met het kroost, de zegeningen van de zaterdagen waarop de man een extra werkdagje maakt nog daargelaten.

Maar dan is er de schoolpicknick. Komt eveneens slecht uit, maar brengt veel goeds. Moeders, kinderen en leerkrachten zitten verspreid op kleedjes rondom de school. Ook de vaders die wél om kwart voor 5 van hun werk durfden te vertrekken zijn present. Een verademing in drukke tijden. Vooral vanwege het sympathieke samen-delen concept en de prettige aanwezigheid van al die mensen die het ook niet gelukt is hun leven perfect op orde te krijgen. Stief- en alleenstaande moeders, weduwnaars en co-ouders, iedereen zit vrolijk kwetterend op het gras. Wijn en stokbrood gaan over en weer, evenals kinderen die dan weer bij pa, dan weer vijftien meter verderop bij ma een aardbei of kaasstengel halen. Natuurlijk is het fleurige tafereeltje een dekmantel voor veel leed. Zo zijn er moeders die afgunstige blikken werpen op de nieuwste aanwinst van hun ex. Kinderen die als boodschappers tussen twee picknickkleden op en neer gaan. En stiefmoeders die moederziel alleen op een kippenpootje knagen, omdat de bonuskinderen liever op de plaid van biomam verkeren. Het leven in een notendop. Ingewikkeld en vol verrassingen, maar met zon, goed gezelschap en koude chardonnay erbij eigenlijk best te hebben. Heel eventjes heel zorgeloos. En dan moet de zomer nog beginnen.

Vakantie

‘Sleur met jou, ‘k heb zo’n zin in sleur met jou,’ zingt Claudia de Breij op haar cd ‘Samen wakker worden’. Een tekst die me geweldig aanspreekt. Want sleur – ik teken ervoor. Precies weten waar je aan toe bent is één van de beste overlevingsstrategieën voor stiefmoeders. Op vakantie gaan is daarom een bron van stress. Weg is dan de sleur: vakantie is avontuurlijk. Het begint al bij het inpakken van de veertien thematassen die we elk jaar in de dakkoffer hijsen. De boekentas, de speelgoedtas, de badkamertas, de kindertassen: wie pakt ze in? Juist. Ik. De man roept ieder jaar luchtig: ‘Inpakken? Dat is vijf minuten werk.’ En dat klopt ook vanuit zijn perspectief (bestaande uit zijn eigen weekeindtas).

Na de inpakstress volgt de uitputtende rit naar het zonnige zuiden, waarin afwisselend junior-songfestival-cd’s en Simpsons-dvd’s de gehoorgangen teisteren. En dan begint het avontuur pas echt.  Geen werk, geen school, geen clubjes, geen weekeindregeling: de sleur is ver te zoeken. Elke dag het complete gezin om je heen. Dat heeft z’n charmes: lang natafelen en praten over vriendschap, ruzie en het wereldleed. Samen wandelen en zwemmen. Samen geschiedenis schrijven. Met het nieuwe gezin in de fotoalbums, belevenissen opdoen die jaren later in familieanekdotes worden doorverteld. Een strakblauwe lucht, tropische temperaturen, op blote voeten door het gras … Leven zonder sleur heeft mooie kanten. Maar ook minder mooie. Elkaar elke dag tegenkomen is confronterend. Je stiefkinderen kun je thuis nog een beetje ontlopen – op vakantie niet. Tijd met z’n tweeën doorbrengen: het zit er steeds minder in. Net als je met een wijntje in de zon gaat zitten duikt er weer een kind op dat exclusieve ouderlijke aandacht wil in de vorm van een badminton-, frisbee- of Rummikubsessie. En dus heb ik jaarlijks een instortmoment tijdens de vakantie. Ergernissen stapelen zich op: over de zwijnenstal in de caravan, kinderpesterijtjes, gebrek aan privacy. Ik kibbel met de man, omdat hij efficiënt boodschappen wil doen en als een dolle door de supermarkt holt, terwijl ik op mijn gemakje de kreeften, kaasjes en tijdschriften wil bekijken. En dan denk ik: waarom doen we dit toch, met z’n allen op vakantie?

Na de vakantie spreek ik een vriendin. Heeft een doodnormaal kerngezin – al twintig jaar met één en dezelfde vent. Ik hoor precies dezelfde verhalen. Met exact dezelfde vakantiestress. Ook zij is weer helemaal in haar element. Heerlijk in de dagelijkse sleur. En ik realiseer me ineens dat een stiefmoeder eigenlijk net een normale moeder is.

Deze columns verschenen tussen 2008 en 2013 op de site van Stichting Stiefmoeders

stiefmoedercolumns (2)

Van 2008 tot 2013 schrons gezin in Sloveniëeef ik columns voor Stichting Stiefmoeders. De stichting is sinds vorig jaar gefuseerd met stichting Nieuw Gezin. De columns zijn dus offline. Jammer. Voor mij is het stiefgezin inmiddels verleden tijd. Maar ik heb er mooie herinneringen aan. Mijn meest dierbare stiefmoedercolumns geef ik nu een plek op mijn blog, in het mapje ‘stiefgezin’. Steeds met zes of zeven columns tegelijk. In deze tweede reeks: de feestdagen in het stiefgezin. 

 

Moederdag

Woest was stiefdochter toen klasgenootjes haar vroegen voor wie zij haar Moederdagcadeau zat te knutselen. Voor haar echte moeder? Of voor haar stiefmoeder? ‘Voor mijn echte moeder natuurlijk!’, brieste het meisje verontwaardigd. Leuk hoor, zo’n bonusmoeder – maar biomam blijft de allerliefste. De Enige Echte. En dus heeft zij recht op de zelfgemaakte bloempot, placemat of opbergmap. Als stiefmoeder heb je het nakijken.

Moeten we ze afschaffen, die Moeder- en Vaderdagen? Ik zou er niet mee zitten. Maar de kinderen wel. Ik herinner me één van de eerste Vaderdagen na de scheiding. De kinderen waren niet bij hun vader die zondag – de weekeindregeling, hè. Geen punt, vonden exgenoot en ik: op woensdag, papadag, konden de kinderen mooi hun knutselwerkje overhandigen. Helaas hadden wij buiten het heilige Kringgesprek op maandagmorgen gerekend, waarin de juf uitvoerig het ritueel van de zondag  evalueerde. Terwijl alle kinderen dolenthousiast vertelden over de gedichten die zij hadden voorgedragen, de beschuiten die ze eigenhandig hadden gesmeerd en de immense blijdschap die vader aan de dag had gelegd bij het uitpakken van het zelfbeschilderde macaronifotolijstje, trok mijn zoontje wit weg. De dreun die wij hem hadden toegebracht door te liegen en bedriegen – Vaderdag wás niet op woensdag, maar had reeds op zondag plaatsgevonden – was ’s middags om 3 uur nog van zijn gezichtje af te lezen. Terwijl het knaapje met roodbetraande ogen achterop mijn fiets klom, hij zat nog niet eens goed en wel in zijn Nijntjezitje, belde ik al met mijn ex om hem te verzoeken een wijziging aan te brengen in het echtscheidingsconvenant. En nu zijn onze kinderen tot hun achttiende verjaardag, ongeacht de weekeindregeling, bij de juiste ouder op de juiste feestdag – ook al doen twaalf-pluskinderen misschien niet eens meer aan Vader- en Moederdag.

De school, met wie ik soms stichtelijke gesprekken voer over het samengesteld, verweduwd en alleenstaande-oudergezin, zorgde vorig jaar voor een verrassing: ineens kreeg ik vier pakjes met Moederdag. En ook de vele stiefvaders die aan ons gezin gekoppeld zijn, werden met een mobile van papier-machéharten verblijd. Ontroering alom. Maar er zit ook een keerzijde aan deze politiek correcte werkwijze. Want, hoorde ik mijn dochter mopperen: terwijl de hele klas vrijdagmiddag al buiten speelde, zat zij nóg twee harten te beschilderen. Thuis haalde ze de diverse in crêpepapier verpakte knutselwerkjes uit haar schooltas en zuchtte: ‘Ik wou dat ik gewoon maar één vader en één moeder had.’

Met Kerst ben ik alleen

 Vroeger bij ons thuis was het vaste prik: iedere eerste kerstdag of Oudejaarsavond schoof er een bekommerde weduwe, onder erbarmelijke omstandigheden verlaten vrouw of notoire alleengaande aan bij de feestelijke dis. Zelfs in mijn vroegste jeugdherinneringen zie ik mijn moeder voor, na of soms zelfs tijdens de fondue- of gourmetmaaltijd (dé feesttoppertjes uit de jaren ’80) met begripvolle blik en pakken tissues naast de meest recent verweduwde of gescheiden vrouw uit de kennissenkring zitten om te luisteren naar haar gesmoord gesnik. Toen ik het als vijftienjarige waagde hierover mijn beklag te doen – ik wilde ook wel eens een gewoon gezinnetje zijn met Kerst – hielden mijn ouders ferme monologen over eenzaamheid en naastenliefde. En hoewel ik er geen snars van begreep, was de boodschap helder: niets kon erger zijn dan de feestdagen in je eentje door te brengen.

Zal de dag eens komen dat ik binnen durf te blijven tijdens Kerst? Met zakken chips en stapels dvd’s? Gehuld in joggingpak, of, erger nog, pyjama? Ben bang van niet. Maar wie weet maken de kinderen  ooit die stap vooruit. Zodat er later niemand langskomt met de feestdagen. Een stille, eenzame kerst. Heerlijk.

In januari valt het mee

In januari valt het best mee om stiefmoeder te zijn. In februari ook trouwens. Als het leven normaal is, met zijn kalmerende regelmaat en voorspelbare saaiheid (hoewel ‘voorspelbaar’ en ‘saai’ niet de eerste termen zijn die bij je opkomen als je denkt aan een samengesteld gezin), dan is het allemaal best te doen. Daarom valt er altijd een last van mijn schouders na de feestdagen. December is voor stiefmoeders het allerergst. Het doorsnee kerngezin moet al halsbrekende toeren uithalen om de wederzijdse ouders te plezieren. Tijdens vele telefoongesprekken, die reeds in oktober beginnen, voert de familie Doorsnee de ‘wie-neemt-oma-met-kerst’-gesprekken. Zelfs gelukkig getrouwde moeders zijn allang blij als het scenario begin december bekend is. In een stiefgezin daarentegen heb je na maandenlange moeizame onderhandelingen nèt een matig tevreden stemmend compromismodel bereikt, als op 23 december na één telefoontje alles weer anders is: ‘Ik breng ze toch maar niet terug. Er ligt teveel sneeuw.’ Waaah, wat nou sneeuw, denk je dan. Voor het eerst in drie jaar hadden we het voor elkaar een half dagdeel met het Nieuwe Gezin door te brengen rond de boom; valt ons plan weer in duigen! ‘Dan kom je ze maar halen,’ klinkt vilein aan de andere kant van de lijn, met subtiel ingezet kindergehuil op de achtergrond. Maar daar is natuurlijk geen sprake van. Want als brengen niet lukt, waarom is halen dan wél mogelijk? En dus zit je zonder stiefkinderen aan het kerstdiner met de familie, die verder uit intacte gezinnen bestaat.

Niet te onderschatten is ook de nazorg die je vanaf 27 december op je mag nemen. Vorig jaar bijvoorbeeld bracht exgenoot mij met de auto naar huis nadat we met ons voormalige gezin de kinderkerstviering hadden bezocht. Ik zou met de fiets huiswaarts zijn gekeerd, maar ja, die sneeuw, hè. Dus daar zat ik, op de achterbank tussen mijn kinderen in – want de Nieuwe Partner zat uiteraard op de bijrijdersstoel. Nog maandenlang duurde het trauma van mijn dochter toen ze merkte dat ík thuis uit de auto stapte, terwijl zíj met papa meeging. Zalvende praat (‘Maar nu ga je toch gezellig bij papa Kerst vieren? En dan gaan we de andere kerstdag in mama’s huis eten, met cadeautjes onder de boom!’) mocht niet baten: midden augustus, aan de Franse Rivièra, had ze het er nog over.

Nee, geef mij maar januari. Dan duurt het nog heel, heel lang tot het Pasen is. En nog veel, veel langer tot Moederdag.

 

Sint op bezoek bij het stiefgezin

 

Sint is danig in zijn nopjes:

wat? Zés namen op de deur!

Opgewekt grijpt hij de pakjes.

Dit is goed voor zijn humeur.

 

 

Want het is reeds lang geleden

dat hij zoiets heeft gezien.

Pa, ma en maar liefst vier kind’ren,

zo’n familie telt voor tien!

 

 

Dan slaat Sint het grote boek op

en verdwijnt zijn blij gelaat.

“Dit is waarlijk niet te volgen.

Moet je kijken wat hier staat!

 

 

Maandag is haar zoon bij vader.

En die heeft een nieuwe man.

Dochterlief is dan bij moeder,

als het in haar rooster kan.

 

 

Ja, de stiefdochters zijn bij haar,

Maar dan is de man weer weg

naar zijn vaste studieavond.

Beste Piet, we hebben pech.”

 

 

“Morgen maar opnieuw proberen?”

zegt de pakjespiet meteen.

Maar de Sint begint te lezen:

“Dan is moederlief alleen.”

 

 

“En op woensdag dan?” vraagt Piet snel.

“Nee, dat wordt ook niets, mijn vrind.”

Want op woensdag, zag de Sint al

is hier helemaal geen kind.

 

 

‘t Huilen nader dan het lachen,

bladert Sint gauw door het boek.

“Donderdag over twee weken?

Kunnen wij dan op bezoek?”

 

 

“Helaas, dan vieren twee bij opa

en hun oma Sinterklaas.

Dus is het ook niet compleet hier.

Dat wordt niets mijn Pieterbaas.”

 

“In het weekend dat daarna komt?”

vraagt de Piet, hij klinkt al kwaad.

“Zijn ze bij hun and’re ouders,”

zucht de Sint ten einde raad.

 

 

“Dit is toch niet meer te plannen?!”

Sinterklaas  praat nu echt luid:

“Zet die zak maar bij de voordeur.

Ze zoeken het mooi zelf maar uit!”

 

(met dank aan rijmpiet Chris Pettersson)

 

Een cadeau voor stiefmoeder

Cadeautjes kopen en kaarten versturen: het is het domein van de vrouw. Een man zal écht niet verzinnen dat het misschien attent is om zijn moeder een doos bonbons te schenken als hij zijn kinderen bij haar op komt halen – vijf dagen nadat hij ze plotsklaps, met haastig ingepakte logeertas, bij haar neerzette, omdat hij alweer totaal onverwacht met een wel heel slecht uitkomende schoolvakantie werd geconfronteerd. Nee, vrouwen krijgen het relatiegeschenkbeheer automatisch in hun takenpakket zodra zij een gezin stichten. Eigenlijk ver daarvoor al, om precies te zijn in de prille verkeringstijd. En krijgen ze er, door een ongelukkige samenloop van omstandigheden, later in hun leven een paar stiefkinderen plus bijbehorende familieleden bij, dan betekent dat een niet geringe taakverzwaring. Om te beginnen dient de kersverse stiefmoeder de verjaarskalender te bewerken. Ongewenste voormalige familieleden verwijdert zij met een paar ferme streken Tipp-ex, waarna ze de vulpen ter hand neemt en met liefdevolle aandacht alle bonuskinderen, stiefgrootouders, -ooms,-tantes en -neefjes en -nichtjes aan de kalender toevoegt.

De cadeaus regelt stiefmoeder ook. Zonder aanzien des persoons. Goedmoedig beschildert ze vazen voor Echte Moeder, samen met haar bonusdochters. Ze maakt snoezige schilderijlijstjes voor het veertigjarig huwelijksfeest van de ex-schoonouders van haar nieuwe man. Met haar eigen kinderen knutselt ze placemats voor haar exgenoot en, vanzelfsprekend, voor  zijn nieuwe partner. Wíe er ook jarig is – stiefmoeder loopt door drogist en warenhuis om badschuim, chocola en andere parafernalia aan te schaffen. Op vakantie? Zij struint goeiig de meest afzichtelijke souvenirshopjes af met het kroost, op zoek naar een passend geschenk voor de wederzijdse exen.

Totdat ze zelf jarig is. Dan staan de stiefdochters met lege handen. Voor stiefmoeder niet erg natuurlijk – een presentje hóéft voor haar niet zo nodig. Die meiden echter staren stilletjes voor zich uit. Niemand stond dit keer klaar met plakband en gekleurd karton. Niemand ging met ze mee om zeepjes uit te zoeken. Maar wie weet komt het ooit goed. Want ook vaders leren met de jaren.

Deze columns verschenen tussen 2008 en 2013 op de site van Stichting Stiefmoeders

stiefmoedercolumns (1)

Van 2008 tot 2013 schreef ik columns voor Stichting Stiefmoeders. De stichting is sinds vorig jaar gefuseerd met stichting Nieuw Gezin. De columns zijn dus offline. Jammer. Sinds mijn relatiebreuk in oktober 2014 is het stiefgezin voor mij verleden tijd. Maar ik heb er mooie herinneringen aan. Mijn meest dierbare stiefmoedercolumns geef ik nu een plek op mijn blog, in het mapje ‘stiefgezin’. Steeds met vijf of zes columns tegelijk. Stiefmoeders en -vaders: veel leesplezier! 

 

Twee eenoudergezinnen onder één dak

Het is net een echt gezin – maar in werkelijkheid bestaat de patchworkfamily uit twee eenoudergezinnen onder één dak. Dat dak ligt echter bovenop een eengezinswoning. Projectontwikkelaars bouwen namelijk geen huizen voor samengestelde gezinnen. Zij bouwen vooral voor het ideale kerngezin: één vader, één moeder en twee kinderen. Best gek in een tijd dat 500.000 kinderen opgroeien in een stiefgezin en Nederland 250.000 samengestelde gezinnen telt. Ik vertrouw erop dat deze cijfers over 25 jaar tot de bouwwereld zijn doorgedrongen. Intussen modderen wij met ons mikadogezin voort in onze krap bemeten zeskamerflat.

Oké, ieder kind heeft een eigen kamer. Maar daarmee is alles gezegd: met kind, bed en kast is de ruimte geheel gevuld. Over de keuken kan ik kort zijn. Ik heb wel eens mooie fantasieën – over een kookeiland met vijfpits gasfornuis, een stoer hakblok, een gezellige bar en een aanrecht waarop je zomaar zes borden naast elkaar kunt plaatsen. Helaas blijft het bij dromen – de realiteit is dat de keukendeur een groot deel van de dag wordt geblokkeerd door de openstaande vaatwasmachine, en dat de twee meter verderop gelegen balkondeur niet open kan als iemand iets uit de koelkast pakt. In de ruimte tussen beide witgoedapparaten is het nét mogelijk een eenpansmaaltijd te bereiden. En daar laat ik het dan ook meestal bij. Met z’n zessen tandenpoetsen aan het begin van de werkdag? Een onmogelijke opgave in de douchecel van vier vierkante meter, waarover dochter eens verzuchtte: ‘De wc bij Sanne is groter dan onze badkamer.’

Een eigen plek voor stiefmoeder, waar zij zich even terug kan trekken om zich te bezinnen op haar dankbare rol en verantwoordelijke taak? Die is er niet. In de huiskamer – waar de tv op luide toon TMF-clips en de laptop met dito volume Youtubefilmpjes uitbraakt, terwijl het enige kind bij wie de kunst- en cultuuroverdracht wel is gelukt intussen haar pianolessen oefent – is ontspanning slechts geblinddoekt en met wasbolletjes in de oren mogelijk. Voor mij echter betekent ontspannen een goed boek lezen, met lome jazz uit de stereoset. Niet te doen bij de geluidseruptie in de woonkamer. En daarom trek ik me noodgedwongen met mijn boek terug in de koude slaapkamer, terwijl de man, gezeten in het halletje, zijn heil zoekt achter de pc – ingeklemd tussen kapstok en schoenenrek.

Verhuizen dan maar? Tja. Elk kwartaal hebben mijn lief en ik wel weer een Funda-oprisping. We weten het allang, maar klaarblijkelijk moet het keer op keer bevestigd worden: een huis voor een groot gezin in de wijk waar we nu wonen is onbetaalbaar. Vinexwijken zijn niet aan ons besteed; de stad willen we niet uit. En dus schikken we ons in ons lot. Nog maar zes jaar. Dan gaat het eerste kind op kamers.

Niet allemaal van mij

Ze zijn niet alle vier van mij, hoor!’ Voortdurend voel ik de neiging me te verontschuldigen, die eerste maanden van ons samengestelde gezin. Lopen we met de voltallige kinderschaar door een pretpark? Dan is het in mijn beleving of ieder hoofd zich naar ons omdraait. ‘Wow, die heeft veel kinderen gebaard!’, denken al die mensen. ‘En zo snel achter elkaar!’ Komt een moeder van een spelend vriendinnetje haar kind halen, dan ratel ik binnen een halve minuut het noodlottige verhaal af van mijn scheiding, de nieuwe man, de stiefdochters die niet bij hun moeder wonen, dáárom heb ik zo’n groot gezin – echt, het was geen bewuste keus … Nu, een paar jaar verder, leg ik niets meer uit. Ik heb geen zin om steeds te benadrukken hoe anders en bijzonder wij zijn. Het leven van een mixed familyis al complex genoeg.

Maar helpt het, dat ik niets meer uitleg? Het maakt me stoer. Het past helemaal bij mijn niets-aan-de-hand-houding. Toch wil ik diep in mijn hart dat mijn omgeving zonder tekst en uitleg zíet wat voor opgaaf het is. En dan vooral de mensen die echt om me geven. Zodat ik mijn verhaal kwijt kan. Even geen mooi weer spelen over ons gezellige, harmonieuze lifestylemagazine-gezin. Natuurlijk is het leuk om te horen dat we het zo ‘gewéldig’ doen. Dat we ‘net een echt gezin’ zijn. En dat de kinderen het zóóó met mij getroffen hebben. Maar iedereen roept het zo enthousiast, dat ik tussen de regels door hoor: ‘En waag het niet om te roepen dat het moeilijk is!’ Nee, de omgeving zit niet op lastige verhalen te wachten. Vriendinnen – en dan het liefst vriendinnen die ook zo attent waren te scheiden en een nieuw gezin te starten – voelen het meest met me mee. Die weten precies wat ik bedoel. Zij begrijpen hoe zwaar het is dat je veel minder tijd hebt voor je eigen schatjes, omdat je je aandacht nu over vier opgroeiende mensjes moet verdelen. En hoe het voelt als je op Moederdag niet je eigen kinderen (want volgens de weekeindregeling bij hun vader), maar de stiefkinderen aan je ontbijttafel hebt zitten. Mijn ‘stiefvriendinnen’, partners in crime, zijn goud waard.

Misschien was die verontschuldiging uit de begintijd zo gek nog niet. ‘Ze zijn niet alle vier van mij’: het  verklaart een heleboel!

Twee flatjes

‘We verkopen gewoon het huis. En dan gaan we allebei weer op een flatje wonen.’ Eens per jaar, meestal tegen de Kerst (moegebeukt door het schrijven van honderden kerstkaarten, de surprises die voor school en het familiesinterklaasfeest geknutseld dienen te worden, het in een grote soeppan leegscheppen van vier jampotten omdat die de volgende dag dringend nodig zijn voor het ververvaardigen van sfeervolle kerstverlichting voor het schooldiner, de tot gekmakens toe irriterende viool- en triangelklanken tijdens gehaaste supermarkt- en warenhuisbezoeken), zijn we elkaar en ons doe-het-zelfgezin zó zat, dat we met de ruggen naar elkaar toe onze respectievelijke laptops openklappen en een simultaan bezoekje brengen aan De Grootste Huizensite Van Nederland. Terug naar de eenvoud. Terug naar de vierkamerflat. Grimmig bekijk ik foto’s van appartementjes met schoongepoetste laminaatvloeren, hippe inbouwkeukens en badkamers die níet overwoekerd worden door vuile kinderkleren en her en der verspreide natte handdoeken. O, wat een zegen, zo’n leeg en overzichtelijk huis! Wat een verschil met onze woning, waarin iedere ruimte is volgestouwd met speelgoed, boeken, belangrijke papieren, katten, kinderen en andere parafernalia die twee mensen die elkaar liefhebben menen te moeten verzamelen. Met dromerige ogen staar ik naar een strak leren bankje met bijpassende kussentjes. Salontafel ernaast, designvaas erop. Wat zou ik daar heerlijk in mijn eentje kunnen zitten! Krant erbij, koffie onder handbereik, slechts twee kinderen om me heen – die daar, in die andere wereld, om negen uur ’s avonds natuurlijk allang te bedde zouden liggen. Wat een zegen lijkt me dat. Ik teken ervoor.

‘Een wijntje, schat? Kaasje erbij?’ Mijn lief heeft zijn laptop al afgesloten en zet twee glazen neer. Hij bezit het talent om snel te vergeten. Echtelijke kiftpartijen, dochterdiscussies, rechtszaken: het is even vervelend, maar daarna leeft hij opgewekt weer verder. En dat tegenwicht, die stabiele factor, da’s nou precies wat ik nodig heb. Voeg daarbij de bonte stoet aan ex-, schoon- en doorsnee familieleden die van harte welkom zijn in onze woning, de klasgenootjes uit alle lagen van de samenleving die vrolijkheid en reuring brengen in ons huisgezin, en ik heb ineens totaal geen behoefte meer aan die doodstille gepolijste showroomwoning. Samen zijn, dat is wat ik wil. Die rust en keurigheid komt gauw genoeg. Als de kinders het huis uit zijn.

Oma

Onvoorstelbare aantallen kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen noemt oma aan iedereen die het maar horen wil. De vensterbank en buffetkast in haar kleine woning staan volgepakt met foto’s, de verjaardagskalender is regel voor regel beschreven. Iedere neef, stiefkleinzoon en aangetrouwde achternicht staat op de kalender vermeld en krijgt een zelfgemaakte ansichtkaart van oma. Oma, die mijn oma niet is. En ook niet de oma van mijn lief – ze is zijn moeders stiefmoeder. Maar iedereen noemt haar ‘oma’. En al haar familie is haar even lief. Zodra ik in haar leven verscheen, hoorde ik erbij. Direct werd ik tot kleinkind, mijn kinderen tot achterkleinkinderen benoemd. Nog geen week later waren we toegevoegd aan de portrettengalerij. Onze namen werden niet kinderachtig met potlood, maar ferm met onuitwisbare inkt op de toch al zo dichtbevolkte wc-kalender bijgeschreven. Hop! Iedereen hoort erbij! Bewonderenswaardig hoe oma de leeftijden van alle (stief)achterkleinkinderen kent. Met nauwgezette precisie houdt ze hun schoolprestaties en lichamelijk welzijn bij. Twee keer per maand belt ze ons op, de dag na Sinterklaas ligt haar kerstkaart op de mat. En is een kind van de fiets gevallen, dan is zij de eerste die bezorgd de telefoon pakt.

Oma is een ervaren stiefmoeder. Vanzelfsprekend pakte ze het vijftig jaar geleden heel anders aan dan hoe ik het nu doe. Zo rustte zij niet voordat het stiefkroost ‘ma’ tegen haar zei. Geen stiefmoeder in deze tijd zou zich daaraan wagen – je hebt maar één moeder, nietwaar? De huidige stiefmoeder is veelal een gescheiden vrouw, vaak zelf ook moeder. En is ze dat niet, dan heeft ze in elk geval te maken met niet-flexibele agenda’s, bezoekregelingen, exen die zelf ook weer gezinnen stichten en andere ingewikkeldheden. Nee, dan in oma’s tijd: toen was het stiefmoederschap nog overzichtelijk. Je trouwde met een weduwnaar en kreeg er zonder pardon een schare stiefkinderen bij. En dat accepteerde je gewoon. Punt uit. Vast en zeker hadden deze stiefmoeders hun onzekerheden en hun narigheid –  diep weggestopt. Ideaal was anders, denk ik.  Maar oma deed het toch maar mooi.

Daadkracht. Dat kenmerkt oma. Ze is niet opdringerig, haar open houding getuigt van een gastvrijheid waar menig stiefmoeder, ik in de eerste plaats, wat van kan leren. Geen ‘eigen volk eerst’. Geen verontwaardigd gekakel met vriendinnen over de moeilijke positie van de bonusmoeder. Geen therapeuten, geen praatgroepen, geen gejeremieer op internetfota. Niks van dat al – doorpakken en niet klagen. Oma neemt iedereen zoals hij of zij is. Zonder er kille, afstandelijke voorvoegsels aan vast te plakken. Ik ben nog niet zover als zij. Nog láng niet.

Stiefmoeder-zonder-kinderen

Stiefmoeders die zelf geen kinderen hebben hoor ik regelmatig fulmineren over hun bonuskinderen – per definitie labiele, ontaarde, slecht opgevoede mormels, zónder manieren en mét overgewicht. Ik denk dan wel eens stiekem bij mezelf: ‘Wat klaag je over dat éne weekeindje per twee weken? Twaalf dagen lang zit je elke avond, in een opgeruimd huis, aan een niet-plakkerige tafel, bij kaarslicht exquise hapjes te verorberen, waarna je je met een glas wijn in de hand samen met je nieuwe vent op de bank vlijt, niet gestoord door bruusk binnenrennende kinderen die in bed geplast/ hun huiswerk vergeten/ gebraakt/ akelig gedroomd hebben. En dan zuchten en steunen over die paar daagjes in de maand? Kom op, mens!’ Dat denk ik dan. Heel heimelijk.

Voordat de stiefmoeders in kwestie woedend afhaken: ik ben van gedachten veranderd. We worden allemaal ouder en wijzer, nietwaar. Ik zal het nog wat zwaarder aanzetten: ik voel zelfs diep respect voor deze moedige zusters. En eigenlijk komt dat door de stiefmoeder van mijn kinderen. Geen echte stiefmoeder trouwens – het is namelijk een man. De man van mijn exgenoot. Ook kinderloos, net als die stiefmoeders-zonder. Door zijn ervaringen vallen de schellen me van de ogen. De verhalen na zijn eerste vakantie met de kinderen bijvoorbeeld: ‘Ik vond het zó wennen. ’s Avonds konden we geen ommetje maken omdat zij lagen te slapen. Niet even spontaan het dorp in. Ze waren er áltijd. Voortdurend die kinderen om me heen.’ Wat kon ik me goed voorstellen dat hij geen zin had om mee te gaan naar pretpark HappyLand. En dat terwijl het om mijn eigen nazaten ging. De meest voorbeeldige kinderen op aarde.

Zijn inzet voor de kinderen is tomeloos. Hij vindt ze namelijk leuk. Hij koopt kleren voor ze. Zet krullen in mijn dochters haar. Staat met snoepkettingen langs de straat tijdens avondvierdaagsen. Gaat mee naar muziek- of toneelvoorstellingen. Loopt over het schoolplein tijdens de fancy-fair. Haalt friet met frikadellen op kinderfeestjes. Bemoeit zich onvermoeibaar met het douche- en tandenpoetsbeleid. Kortom, hij neemt de kinderen op in zijn leven. Net als al die andere stiefouders zonder eigen kroost. Het valt niet mee om vanuit het niets ineens zo frequent die totaal vreemde wezentjes om je heen te hebben. Veel moeilijker lijkt me dat dan wanneer je zelf al een paar kinderen op de wereld hebt gezet. Je krijgt immers niet die roze bril erbij waardoor iedere biologische ouder zijn nageslacht bekijkt. Die bril die verbergt dat het kind een brutale, ontaarde en ongemanierde snotaap is. Zie daar maar eens mee om te gaan. Petje af.

 

Deze columns verschenen tussen 2008 en 2013 op de site van Stichting Stiefmoeders