Categoriearchief: actualiteit

Urban Trail Utrecht

Sporten heeft nooit mijn bijzondere belangstelling gehad. Noch als kijker, noch als deelnemer. Ik begrijp niet wat er de aardigheid van is om naar een grasmat of gravelveld te kijken waar op uiteenlopende manieren een bal van de ene naar de andere kant van het veld wordt getransporteerd. Laat staan dat ik de behoefte voel zelf een teamsport te beoefenen. Niet voor niets was ik op school het meisje dat altijd als laatste werd gekozen bij gym. Ik weet heus dat bewegen goed voor me is. Maar ach, ik fiets mijn hele leven al bijna dagelijks kriskras door de stad – dus die calorieën verbrand ik heus wel. Daar komt nog bij dat ik tot mijn veertigste de hele dag door kon blijven eten zonder een grammetje gewichtstoename. Waar alle vrouwen op feestjes categorisch taartpunten weigerden en met een glas bruiswater in de hand op wortels stonden te knagen, deed ik me tegoed aan chocolademuffins, wijn en bitterballen.

Nu ik de veertig ruimschoots ben gepasseerd, kan ik helaas niet meer zorgeloos eten wat ik wil zonder kilo’s aan te komen. Omdat ik weinig zin heb in een water- en groenvoerdieet, zit er niets anders op dan te gaan sporten. En dus volg ik al anderhalf jaar met veel plezier de body & mindlessen van Vanessa Bartlett. Maar er kon nog wel iets meer bij. De advertentie van de Urban Trail die eind 2017  in de krant stond, kwam dan ook als geroepen. Een hardloopevenement dwars door de gebouwen van Utrecht: echt iets voor een stadsmeisje als ik! Ik noteerde de datum in mijn agenda, schafte op 3 januari tergend dure hardloopschoenen aan en begon te trainen. Met wisselend succes. Soms loop ik onder begeleiding van virtuele hardloopcoach Renate Wennemars, die onvermoeibare peptalk laat schallen uit de koptelefoon (‘Kom op! Je kúnt het!’). Dan weer laat ik me begeleiden door de nasale robotstem van de Runkeeper-App. Een app die nauwgezet bijhoudt hoe hard je loopt, hoeveel kilometers je aflegt en welke route je neemt.

Leuker werd het er allemaal niet van, maar ik wist waar ik het voor deed: de Urban Trail Utrecht. Trailrunning betekent ‘off the road’-hardlopen, over smalle paadjes en met natuurlijke hindernissen. De hindernissen tijdens deze loop bestaan niet uit rotspartijen of beekjes – het zijn de trappen, gangenstelsels en kelders van diverse gebouwen.

Afgelopen zondag was het zover. En ik kan niet anders zeggen: het was een belevenis. Ik had lafjes voor de vijf kilometer kunnen kiezen, maar het werd de tien. In werkelijkheid waren het er misschien wel elf, want wat hebben we een trappen gelopen! We renden onder meer door Tivoli Vredenburg, de fietsenstalling in de Neudeflat, café Bodytalk, filmhuis ’t Hoogt, studentenvereniging S.S.R.-N.U. en museum Van Speelklok tot Pierement. Licht bevreemdend was het om tussen de jurkjes op de damesafdeling van De Bijenkorf door te hollen, de gangen van de voormalige gevangenis aan het Wolvenplein door te sjesen en via de artiesteningang de grote zaal van de Stadsschouwburg te betreden, waar allerlei muziekinstrumenten in de spotlights op het podium waren uitgestald. De sfeer was fantastisch; op diverse plekken stonden muzikanten, we werden vriendelijk op afstapjes gewezen en kregen verscheidene keren glaasjes water aangeboden. Sympathiek vond ik het ook dat nergens pusherig de tijd werd bijgehouden – bij deze loop ging het om het plezier, niet om de prestatie.

Neemt niet weg dat ik uitermate trots was op mezelf dat ik de finish haalde. In mijn King Louie-bloemetjesjurk. Want zulke prachtige gebouwen betreden in de historische binnenstad, dat doe ik toch liever in stijl. Kortom: op deze manier is sporten goed te doen!

In meerdere steden in Nederland wordt een Urban Trail gehouden. Later dit jaar nog in Arnhem, Breda, Zwolle en Eindhoven! 

privacyverklaring

Op 25 mei gaat de nieuwe privacywet in, de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Omdat ik bewust wil omgaan met de privacy van mijn lezers, heb ik een privacyverklaring op mijn blogsite geplaatst. Hierin lees je wat ik doe met jouw gegevens. Als je je abonneert op mijn blogs, betekent dat bijvoorbeeld dat jouw naam en e-mailadres door mijn website worden opgeslagen. En als je reageert op een blog van mij, kan ik jouw IP-adres zien. In mijn privacyverklaring lees je hoe ik omga met de privacy van mijn bezoekers. En wat je kunt doen als je wilt dat ik jouw gegevens verwijder van mijn site. Je vindt de verklaring op de pagina over deze blog.

 

bye bye facebook

het moment suprême: ik klik op ‘verwijder account’

Een maand geleden deed ik het: ik verwijderde mijn Facebookaccount. En dat was best even slikken. Ik deed het niet omdat ik het zo dolgraag wilde. Ik deed het omdat ik me realiseerde dat het goed voor me was. De verleiding was groot om mijn account binnen twee weken weer terug te plaatsen (Facebook biedt  spijtoptanten deze mogelijkheid), maar die kans heb ik voorbij laten gaan. Acht jaar foto’s, filmpjes en correspondentie heb ik gewist. En dat was moeilijk. Zeker voor een fervent gebruiker als ik. Toch heb ik nog steeds geen spijt.

Het besluit om te stoppen nam ik op zondagavond 8 april, toen ik mijn tv aanzette en de aftiteling zag van Zondag met Lubach.  A brand new day van Diana Ross knalde mijn kamer in. Daar stond Arjan Lubach, dansend temidden van tientallen blauwe ballonnen, terwijl de hashtag #byebyefacebook voorbijkwam op het scherm. Al snel begreep ik dat Lubach een Facebookevent had aangemaakt voor woensdagavond 11 april – een event om van Facebook af te gaan. Voor mij was dat een kippenvelmoment: jaaaa, dacht ik, ik doe mee, wég met Facebook!

Dat besluit kwam niet uit de lucht vallen. Al maanden had ik mijn twijfels. Ik installeerde de Demetricator in de hoop dat Facebook daarmee minder aantrekkelijk voor me zou worden. Een soort nicotinepleister, maar dan tegen een ander type verslaving. In de Vastentijd haalde ik de app met de blauwe F van mijn telefoon en plaatste ik veertig dagen geen Facebookpost. Dat hielp allemaal wel een beetje, maar niet genoeg. Na de veertigdagentijd bezocht ik de site nog steeds meerdere malen per dag.

Is het dan zo erg om vaak je Facebook te checken?, vraag je je misschien af. Ja. Ik vond dat erg. Ik baalde ervan dat ik geen weerstand kon bieden tegen de verleidingen van de site. En daar had ik de jaren daarvoor veel minder last van. Toen ik met Facebook begon, in 2010, vond ik het fantastisch. Er ging een wereld voor me open. Dankzij Facebook vond ik kennissen van vroeger terug, het contact met verre familieleden werd intensiever. Facebook verving het vertrouwde adressenboekje, Facebookvrienden worden was genoeg. Ik sloot me aan bij groepen, ik voerde gesprekken en discussies. En natuurlijk plaatste ik foto’s. Van verjaardagen, van vakanties. Facebook werd een soort fotoalbum en dagboek ineen. Het werd een sport om in te checken op bijeenkomsten: bij elke borrel, elk feest, elke ondernemersbijeenkomst en elk theaterbezoek plaatsten mijn vrienden en ik foto’s, waarbij we elkaar tagden. Dit gaf de mogelijkheid om de voorpret en de napret te delen. Daarnaast is Facebook een handige zoekmachine: tijdens een gesprek in de kroeg kun je op ieder moment informatie vinden over de personen waar je het over hebt. Véél informatie ook – het is verbazingwekkend wat mensen allemaal openlijk delen op de site.

Natuurlijk heeft Facebook ons ook veel gebracht. Het is mooi dat je mensen via het platform makkelijk kunt mobiliseren en op een laagdrempelige manier aandacht kunt vragen voor misstanden in de samenleving. Er zijn besloten groepen waar lotgenoten van over de hele wereld hun lief en leed met elkaar kunnen delen. Het is makkelijk en het is gratis. Enerzijds is het een fantastische uitvinding. Anderzijds is het een enorme aandachttrekker.

Steeds vaker ondervond ik de donkere kanten van het smoelenboek. De bemoeienis met mijn leven bijvoorbeeld, via commentaren onder mijn foto’s en ongegeneerde vragen IRL. De deeldwang: ook al heb je geen zin om meteen in te checken als je ergens een zaal betreedt, gek genoeg voelt het bijna als een verplichting. Natuurlijk hóefde ik niet een paar keer per week een update te plaatsen. Maar het vlees is zwak. Ik geef eerlijk toe dat ik weerloos ben tegen de druk van Facebook. Toen ik erachter kwam dat Facebook mensen inhuurt om ons continu prikkels te geven, zodat we echt verslaafd raken aan het medium, verbaasde dat me niets. Steeds vaker greep ik mijn telefoon, ook tijdens mijn werk, om ‘even’ mijn Facebook te checken. Ik plaatste hier een like, voerde daar een gesprekje, plaatste een grappige foto van de kat. En voor ik het wist was ik twintig minuten verder. Ik voelde me dan slecht en had een opgeblazen gevoel, alsof ik veel te veel gegeten had.

In het artikel‘Wat je terugkrijgt als je van Facebook gaat’ (de Correspondent) beschrijft Bregje Hofstede het zo: ‘Telkens wordt mijn aandacht gekoloniseerd door kleine rode bolletjes, pings, meldingen – of simpelweg de wetenschap dat die er zouden kunnen zijn, als ik nu even op het knopje druk.’ Facebook vraagt zoveel aandacht dat het leidt tot een ernstig gebrek aan concentratie. ‘Mijn angst is, dat zelf over je aandacht kunnen beschikken steeds meer een voorrecht wordt – en dus dat concentratie een uitzonderlijk talent wordt,’ schrijft Bregje. Ik vind het zó herkenbaar. Daarnaast sleurt Facebook je weg bij dat wat er om je heen gebeurt. De site krijgt het voor elkaar dat je de overbelichte verjaardagskiekjes van een verre achterneef belangrijker vindt dan de persoon die naast je zit. Je scrolt langs flauwe conversaties en bekijkt grappige filmpjes, terwijl je intussen een gesprek zou kunnen voeren met een mens van vlees en bloed. Facebook is een ‘aandachtshacker’. En dan heb ik het nog niet eens over de informatiebubbel en de verspreiding van nepnieuws, die volgens sommigen een bedreiging vormt voor de democratie.

En dus verwijderde ik mijn account, precies om 20.00 uur op die elfde april. Ik vond het idee van het Facebookevent briljant. Jarenlang checkte ik elke week wel in op een of ander event. Dit werd mijn laatste. Het voelde echt niet fijn, de eerste dagen na mijn vertrek. Alsof ik was verhuisd uit mijn vertrouwde dorp. Ik had en heb nog steeds ontwenningsverschijnselen. Maar ik zet door.

Op Twitter en Instagram ben ik nog wel actief. Want ik blijf een social media-fan. Ik merk echter dat die platforms veel minder verslavend zijn dan Facebook. Twitter is voor mij vooral een handig communicatiemiddel. En Instagram is mijn fotodagboek. Ik plaats een bericht en ben er daarna weer weg. Beide zou ik niet willen missen. Maar Facebook kan best zonder mij. Ik was het bijna verleerd om minstens een uur lang aandachtig te lezen: tijdens een Facebookbezoek spring je immers van de hak op de tak. Maar nu lees ik eindelijk weer eens boeken, ’s avonds op de bank. Ik kan het iedereen aanraden.

Facebook en de macht van het getal

‘Je vriend Daniel bezoekt een evenement bij jou in de buurt.’ ‘Casper heeft een bericht van Marjanne leuk gevonden.’
Zodra ik ’s ochtends mijn Facebook-app open, word ik bedolven onder dit soort berichten. Ik word meteen aan het werk gezet: bekijk dit grappige filmpje, feliciteer de nicht van je ex, bedenk of je mee wilt naar dat culinaire festival … en of ik wil of niet, ik kijk. Ik klik. En ik lees. Facebook heeft me in zijn macht.

Is dat erg? Niet altijd. Want die verslavende werking heb ik zelf in de hand. Ik beschouw Facebook als een dagboek annex fotoalbum: ben ik op een evenement, in de bioscoop of aan het strand, dan plaats ik een foto. En natuurlijk is het leuk als mensen op die foto reageren. Ik geef toe dat ik vaak een update plaats op vrolijke momenten – ik ben niet ongevoelig voor Facebookhappiness. Maar ook mijn mindere momenten deel ik zo nu en dan. En ik heb regelmatig goede discussies op Facebook. Soms zijn er dagen dat Facebook me er echt even doorheen sleept.

Toch baal ik steeds vaker van de macht die Facebook over me heeft. Ook al plaats ik dagenlang geen bericht, de app weet me continu te verleiden om terug te keren. Om er vervolgens veel langer rond te blijven dwalen dan me lief is. Want: ‘even kijken wat die-en-die vriend op Prikbord Lunetten heeft geplaatst’. En: ‘wat is dat voor evenement?’ En dan zijn er nog de samenzweerderige meldingen over herinneringen die ik volgens Facebook ‘vast wel leuk vind om te zien’. Bijvoorbeeld de sleuteloverdracht van een vorige woning met een vorige man. Of de intieme details die ik gepresenteerd krijg uit het leven van vage kennissen. Ik wil het niet zien, ik wil het niet weten. Maar ik lees toch. Steeds weer wordt mijn nieuwsgierigheid gewekt.

Ik weet: ik hóef niet te kijken. Maar ik ben zwak. En miljoenen Facebookgebruikers met mij. Op uitgekiende wijze weet het team van Mark Z. ons keer op keer weer in het drijfzand van andermans en lief en leed te laten wegzakken, ons berovend van onze kostbare tijd. Het zit ‘m vooral in de macht van het getal: dat rode rondje met het getal ’15’ erin geeft ons een kick.  Veel ‘vrienden’ hebben laat ons voelen: ‘ik hoor erbij, ik ben geliefd’.

Ik weet ook: ik kan mijn profiel met enkele muisklikken verwijderen. En misschien doe ik dat ook wel een keer. Maar er is een middenweg. Begin deze week heb ik de Demetricator van kunstenaar Ben Grosser op mijn laptop geïnstalleerd. Dit is een plugin die alle getallen uit Facebook weghaalt. Bij mij geen hysterisch rood bolletje meer: ik heb geen idee hoeveel likes er onder mijn berichten staan. Ik word niet meer geattendeerd op kennissen die hun regenlaarzen te koop hebben gezet. En ook weet ik niet wanneer iemand iets gepost heeft: in plaats van ‘tien minuten geleden’ staat er ‘recently’ onder een bericht. Juist van die getallen gaat een verslavende werking uit, redeneert Grosser namelijk. Als je een nieuwe profielfoto hebt geplaatst, kom je ieder kwartier naar Facebook terug om te kijken hoeveel likes de foto heeft. En staan er nul reacties onder een post, dan durf je minder snel een like te geven dan wanneer tientallen mensen je voorgingen.

De Demetricator maakt korte metten met de slinks zuigende moerasmethodiek. Het maakt Facebook in elk geval al stukken minder aantrekkelijk. De volgende stap is misschien een detox in de vastentijd, die op 14 februari begint. Lijkt me een bevrijding. In plaats van oppervlakkig van het ene naar het andere bericht te hoppen, lekker de tijd nemen voor een ondoorgrondelijk boek. Met héél veel pagina’s.

Wil je de Demetricator ook installeren? Lees hier de instructie

de beste negen van 2017

De #bestnine2017? Voor iemand die dagelijks tientallen foto’s maakt is het een hele opgave om negen favorieten te kiezen. Ik koos dan ook niet per se de ‘beste’ foto’s uit. Wel zie je hier de plaatjes die het verhaal vertellen van negen bijzondere momenten uit het afgelopen jaar.

Allereerst een foto uit de viering in de Utrechtse Janskerk op 29 januari. Ik ben op dat moment net gedoopt en daarmee toegetreden tot de rooms-katholieke kerk. Mijn vrienden en peter en meter, Hans en Elise, hebben me het witte doopkleed omgedaan. Een steeds sterker wordende wens van jaren ging in vervulling. De doop is een keuze die met het verstand niet is uit te leggen. En dat doe ik dan ook niet. Het is een mysterie. Net zo min als ik kan uitleggen wat Maria met me doet. Ik brand een kaarsje voor haar bij hoogte- en dieptepunten in mijn leven. Dit jaar ging ik maar liefst vier keer naar de fantastische Mariatentoonstelling over ‘de meest afgebeelde vrouw op aarde’ in het Catharijneconvent (foto 2).

In 2017 was ‘man/vrouw’ regelmatig onderwerp van gesprek tussen mij en de mensen om me heen. Bijvoorbeeld door de Sire-campagne over jongens en meisjes en de #metoo-discussie. Tegelijkertijd werd voor de eerste keer een gaypride in mijn stadje gehouden. Het was groots om daarbij aanwezig te zijn, ik heb tientallen foto’s gemaakt van de prachtige boten met dito mensen erop. Ontroerend en indrukwekkend. In die week hielp ik ook mee met de voorbereiding van Roze Zondag in de Janskerk. Tijdens de viering hingen we een reusachtige regenboogvlag in de kerk.

De zonnebrillenfoto van mijn lief en mij is gemaakt op Lesbos. Wat was dat een heerlijke week. Zon, zee, lezen, Ouzo en Metaxa, zingende krekels, lange zwoele avonden – ik had er maanden willen blijven. Maar ach, ook in Utrecht was genoeg te doen tijdens de zomervakantie. De foto van de Parade is voor mij een herinnering  aan de vele festivals die ik afgelopen jaar bezocht. Zoals het nieuwe Bucketlistfestival, het Bevrijdingsfestival, proeftuin Rotsoord, Lepeltje Lepeltje en vorige week nog kerstfestival Knus. Over de ‘festivalisering’ las ik zorgelijke artikelen in de krant. De grens aan het aantal evenementen in de Randstad zou zijn bereikt. Maar ik begrijp de aantrekkingskracht van het festival maar al te goed. In je eigen stad, op fietsafstand, bevind je je even in een andere wereld met muziek, theater en culinaire genoegens. Je komt bekenden tegen, doet nieuwe ervaringen op en hebt plezier. Ook als het regent: zie hier mijn festivallaarsjes die ik al jaren in de berging heb staan.

Voor het eerst in drie jaar heb ik kunstenfestival Watou weer bezocht. Jarenlang reden ex 2 en ik elke zomer een weekeind naar dit Belgische dorp, waar op verschillende locaties kunst en poëzie is te zien en te beluisteren. Ik had de afgelopen jaren geen zin om de herinneringen ter plaatse op te rakelen, maar dit jaar ben ik weer gegaan. ‘Over alleenigheid en ondraaglijke eenzaamheid’ was het thema – in m’n eentje had ik het niet getrokken, maar ik was er samen met dochter en dat was een goeie zet! Een paar dagen later stond ik met exgenoot op Schiphol om onze zoon op te halen, die samen met een vriend een maand door Azië had gereisd. Zo mooi om al die verhalen te horen, zo’n trots gevoel dat die jongens het met z’n tweeën hebben gered.

De foto van de fiets is gemaakt bij de werkplaats van Verhipmijnfiets. Mijn fiets-van-de-zaak was dringend aan een opknapbeurt toe. Ik zou ‘m drie weken kwijt zijn, maar dit werden bijna drie maanden. Wat een zegen om haar weer terug te hebben – het frisgele rijwiel is een ankerpunt in de stad. Zeker als ik wat later op de avond de kroeg verlaat.

Foto negen is een afbeelding van iMovies op mijn Macbook. Dit najaar heb ik een training gedaan bij de Videovakvrouw. Filmpjes maken stond al lang op mijn verlanglijst, maar het kwam er steeds niet van. Dankzij de Videotiendaagse kreeg ik de smaak te pakken. Inmiddels kan ik filmen, monteren en muziek onder mijn filmpje plakken. Een eerste videoreeks, met blogtips, is in de maak.

Er zijn honderden foto’s die ik níet laat zien. Foto’s van feestjes: vrienden die 50 werden, het 12,5-jarig bestaan van mijn bedrijf,  twee 25-jarige huwelijksfeesten. Foto’s van exposities in het prachtige Voorlinden, het Groninger Museum, de Fundatie, Boymans van Beuningen, het Kröller-Müller … Ik was bij concerten, had borrels van mijn werk, vierde feestjes in huiselijke kring … en altijd heb ik de camera paraat. Ik ben een toerist. Een verslaggever.

Maar niet álles hoeft vereeuwigd te worden. Uit de reeks niet-gemaakte foto’s zou je de ‘worst nine’ van 2017 kunnen selecteren. Want de tranen, het verlangen, de eenzaamheid, de boosheid, de schaamte en de dood waren er ook. En waren deze ervaringen slecht? Nee, ze waren minstens zo waardevol. Samen met de ‘best nine’ vormen ze de herinnering aan een mooi jaar waarin ik heb liefgehad en geworsteld, ben gegroeid en heb geleerd.

 

 

 

 

 

slimme winkels gaan genderneutraal

‘Mooi shirt hè Maarten!’ ‘Heel leuk mama, maar ik neem ‘m niet, want dit shirt is voor meisjes.’ Bij de HEMA zijn dit soort discussies binnenkort verleden tijd. De winkelketen maakte gisteren bekend dat de aanduiding ‘jongen / meisje’ van kinderkleding wordt verwijderd. Een fantastische stap. Weg met de betutteling! Als klant ben ik op zoek naar iets wat ik mooi vind; niet naar iets wat volgens de winkel voor mij en mijn seksegenoten is bedoeld. De HEMA kiest voor een afdeling met kinderkleding. Geen hoekje meer voor jongens of voor meisjes. De kleding wordt genderneutraal verpakt. En dat leidt niet tot eenvormigheid, maar juist tot meer vrijheid. De vrijheid om te dragen waar je je prettig in voelt.

Kiezen voor genderneutraal is kiezen voor diversiteit. Een meisje kan bij de HEMA nog steeds jurkjes kopen. Maar als ze liever donkergrijs ondergoed heeft in plaats van paars gebloemde broekjes, dan kan dat ook. Zonder dat ze hoeft te denken: ‘Als de kassajuffrouw maar niet ziet dat ik jongensonderbroeken koop.’ Ik vind het goed van de HEMA dat ze haar nek durft uit te steken en ga ervan uit dat meer kledingwinkels zullen volgen. Vooral nu blijkt dat het bevestigen van stereotiepe rolpatronen gezondheidsschade kan veroorzaken. Wetenschappers in the Journal of Adolescent Health hebben onderzocht dat denken in vaste rolpatronen negatieve effecten heeft op de gezondheid van jongens en meisjes gedurende hun verdere leven. Daarom is het belangrijk dat ouders hun kinderen binnen minder traditionele rolpatronen opvoeden, zeggen de onderzoekers.

We verlaten de HEMA en lopen de speelgoedwinkel binnen. Hier wordt pas echt in stereotiepen gedacht. Voetballen, Playmobiel, technisch Lego: we vinden het allemaal langs de blauwe wand, met daarbij nadrukkelijk de aanduiding ‘jongens’. In de schappen tegen de roze wand liggen de Barbies, poppen en prinsessenjurken. Overzichtelijk, zou je denken. Maar nee, door deze indeling van de winkel worden kinderen en hun ouders gemanipuleerd. Want een jongen die met Barbies wil spelen, kijkt wel link uit zich in de roze hoek te begeven. Volgens de winkel hoort hij daar immers niet. En doet hij het toch, dan wordt hij meewarig aangekeken of bespot. Zo werkt de speelgoedwinkel op slinkse wijze vaste rolpatronen in de hand. Winkelmanagers, doe er iets aan! Waarom het speelgoed niet aanbieden in categorieën: spelletjes, Lego, poppen, enzovoort. Een kind kan dan kiezen wat bij hem of haar past.

Genderneutraal wil niet zeggen dat we hetzelfde moeten zijn. Integendeel: het stimuleert dat we onze verschillen vieren. Niet per se verschillen in sekse, maar verschillen in voorkeuren, smaak en stijl. Want ieder mens is anders en heeft behoefte aan maatwerk. Een slimme, bijdetijdse retailondernemer speelt in op deze diversiteit.

Overigens was HEMA Holten haar tijd ver vooruit. In het najaar van 2014 maakte ik deze foto in genoemd filiaal. We zullen het nooit te weten komen, maar wellicht bracht de filiaalmanager van HEMA Holten met dit fraaie staaltje genderverwarring het balletje aan het rollen 😉

kind (m/v)

Op de basisschool had dochter een vriendje dat dol was op onze verkleedkist. Met drie meiden en één jongen in huis waren de prinsessenjurken oververtegenwoordigd in genoemde kist. En daar was het de jongen, laten we hem Jeffrey noemen, precies om te doen. Als hij bij dochter kwam spelen, trippelde hij de hele middag in zachtroze gewaden door het huis. Hij drapeerde goudglanzende sjaals om zijn schouders en koos er zorgvuldig bijpassende sieraden bij. Jeffrey’s ouders echter waren bepaald niet gecharmeerd van de verkleedpartijen. Als het jochie werd opgehaald na de speelafspraak en het kind in de hal verscheen met zilverglitterende engelenvleugels op zijn rug, verzuchtte vader geïrriteerd: ‘Loop je weer in meidenkleren!’ Waarop Jeffrey schuldbewust de vleugels van zich afwierp en met een beteuterde blik in z’n ogen met z’n vader ons huis verliet. Arme jongen.

Aan Jeffrey moest ik denken toen de SIRE-campagne ‘Laat jij jouw jongen genoeg jongen zijn’ deze week van start ging. SIRE komt in het campagnefilmpje met een ‘onverwoestbare broek’ op de proppen, die jongens kunnen dragen tijdens het buiten spelen. Jongens willen, aldus SIRE, in hun spel risico’s nemen en ontdekken. Ze willen dóen. En daar is, horen we in het filmpje, de laatste jaren minder aandacht voor. ‘Jongens moeten stil zijn en luisteren’. Bovendien hebben ze te weinig mannelijke rolmodellen: er staan steeds meer vrouwen voor de klas.

De SIRE-campagne maakt me kwaad. In de eerste plaats omdat het lijkt alsof vrouwen de boosdoeners zijn in dit verhaal. Natuurlijk, er staan meer vrouwen dan mannen voor de klas. (Het CBS meldt dat het aandeel vrouwen dat les geeft in het basisonderwijs sinds 2005 is gestegen van 82 naar 87 procent in 2015.) Een gelijke man/vrouw-verdeling zou het meest ideaal zijn. Echter: ‘de feminisering van het onderwijs’ klinkt alsof het iets vreselijks is. ‘Alsof het een aandoening is waartegen je moet worden ingeënt. Dat je bij de dokter komt en zegt “o dokter, ik heb de laatste tijd weer zoveel last van feminisering”’, stelt Japke-d Bouma in haar column in NRC Is er nou te veel of te weinig feminisering? Eeuwenlang stonden er uitsluitend mannen voor de klas. De laatste veertig jaar wordt dit eindelijk gelijkgetrokken en neemt het aantal vrouwen in het onderwijs toe. Zoek voor de aardigheid eens via Google afbeeldingen naar ‘schoolklas jaren 50′. Je ziet dan al aardig wat vrouwen voor de klas. Toen ik trouwens de schoolfoto’s uit die tijd bekeek, dacht ik nog iets anders: juist de jaren 50 en 60 was dé tijd waarin het ‘stil zijn en luisteren’ hoogtij vierde. Onze ouders en grootouders en ook mijn generatie moesten echt wel stil zitten op school. Zes uur lang, iedere dag. En al die jaren gingen veel jongens na schooltijd buiten spelen, in bomen klimmen, fikkie stoken en vielen ze een gat in hun broek.

De campagne slaat de plank mis omdat het volgens mij om twee heel andere dingen gaat. Ten eerste zijn ouders banger geworden. Kinderen mogen aan geen enkel risico meer worden blootgesteld. Voor een deel terecht: het verkeer is drukker dan dertig jaar geleden. Ook zijn er steeds minder ruige terreintjes waar kinderen kunnen spelen met takken, stenen en modder. Bijna niets wordt meer aan het toeval overgelaten, kinderen worden met de auto gebracht en gehaald naar vioolles / hockey / peuteryoga / enzovoort. Hebben we twijfels over een opvoedvraagstuk, dan bespreken we dit niet met onze vrienden, maar met de orthopedagoog. Al deze overbezorgdheid leidt ertoe dat kinderen tere poppetjes worden. ‘Onuitstaanbare prinsjes en prinsesjes’ noemt een van mijn favoriete schrijvers Mirjam Schöttelndreier hen in Monsters van kinderen, draken van ouders. Deze prinselijke kinderen mógen niet buiten het hek spelen, want anders worden ze vies, komen ze enge mannen tegen, breken ze hun been of gaan ze doktertje spelen. Liever hebben ouders controle over ze, bijvoorbeeld in de speeltuin voor het huis, of worden ze achter tv of iPad geplaatst, want dat is veilig en lekker rustig. Ik denk dat die ouderlijke overbezorgdheid een van de oorzaken is dat kinderen minder vaak ‘kapotte broeken’ hebben.

Dit is een plaatje uit de gids van Top Toy, een Zweedse speelgoedfabrikant die speelgoed op genderneutrale wijze aanbiedt.

De allerbelangrijkste misser uit de campagne vind ik echter deze: het filmpje gaat helemaal niet over jongens. Het filmpje gaat over kinderen. Jongens én meisjes leren door te ontdekken en grenzen op te zoeken. Voor kinderen (m/v) is het spannend en leuk om in bomen te klimmen, scheikundige proefjes te doen, verschillende kleuren nagellak uit te proberen, met Barbies, autootjes en Lego te spelen. Veel jongens vinden het fijn om te klimmen, klauteren en schreeuwen. Veel meisjes vinden dat ook. Daarnaast zijn er jongens én meisjes die liever lezen, een kleurplaat kleuren of make-up op doen. Ouders die meteen ‘neeee, dat is voor jongens!’ schreeuwen, remmen de ontwikkeling van hun kind. Waarom moet een speelgoedwinkel streng worden gescheiden in een roze en een blauw segment? Waarom mogen meisjes geen korte haren en kunnen jongens geen rokje aan? Wat zou het mooi zijn als we bij de geboorte van een kind niet roepen ‘het is een meisje’, maar ‘hoera, er is een mens geboren!’

Kortom: laat kinderen zelf uitproberen wat bij ze past. En stimuleer ze bij het doen van deze ontdekkingen. Geef ze geen onverwoestbare broek, maar een onverwoestbaar gevoel van eigenheid en zelfvertrouwen.

Aanvullend: op 1 augustus las ik deze reactie op de campagne in Trouw, geschreven door Jens van Trigt en Hanneke Velten. Zeer mee eens: Sire-campagne doet jongens tekort en moedigt stereotiep gedrag aan 

theezakjeswijsheden

‘Today is the first day of the rest of your life.’ ‘Alles is mogelijk, als je maar durft’. Sinds het bestaan van Facebook en Instagram worden we dagelijks met inspirerende citaten om de oren geslagen. In het pre-Hyvestijdperk liep je hooguit in oma’s seniorenflat een paar spreuken tegen het lijf. In sierlijke letters stonden ze op een tegeltje geschilderd: ‘oost west, thuis best’. Of ‘zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten’. Niets tegenin te brengen toch?  Toen in de jaren 90 de meditatiecursus zijn intrede deed, kwam de spirituele spreuk ons leven binnen. In bladen als Happinez stonden ze afgedrukt, bij foto’s van een stapel stenen langs een stromend beekje. Ze werden als extraatje meegeleverd op ansichtkaarten, die mijn vriendinnen en ik elkaar op verjaardagen stuurden. Met zo’n quote toonde je aan dat je een Diepe Denker was. Zo’n kaart was het bewijs van creativiteit, goede smaak en originaliteit.

Sinds de quotes op Facebook en Instagram worden verspreid, krijgen ze een pusherig karakter. ‘Je ziet direct waar we de zelfverbeteringsfocus hebben liggen,’ schreef Jacq. Veldman in een Volkskrantartikel van afgelopen zaterdag, De ondraaglijke lichtheid van de inspirerende spreuk. ‘Voornamelijk bij het idee dat je je hele leven zelf in de hand hebt.’ Veldman noemt de spreuken ‘dwangmatig positief ingestoken zelfhulpboeken in het klein’. Maar erger nog dan de spreuken op zichzelf, meent ze, ‘zijn de mensen die ze te pas en te onpas in je gezicht gooien – en daarna wijsneuzig om zich heen kijken. (…) Met het delen van de semi-diepzinnige wijsheid wordt degene die hem deelt zélf een beetje onderdeel van die wijsheid.’

Toch vind ik het delen van deze quotes op social media nog tot daar aan toe. Wijsneuzerige Facebookvrienden of twitterende coaches  kun je immers ontvrienden. Veel erger is het, dat de spiritualiteit nu zelfs de keuken binnendringt. Het is ons anno 2017 niet meer gegund argeloos een kopje thee te zetten. Een jaar of drie geleden verschenen voor het eerst theezakjes met dwingende connotaties als ‘tea for two’ of ‘even een momentje voor jezelf’ op het label. ‘Dat maak ik zelf nog wel uit,’ dacht ik woest bij het openscheuren van zo’n zakje. Op dat moment kon ik echter niet bevroeden hoe het er heden ten dage voorstaat in theezakjesland. Geen enkel zichzelf respecterend merk heeft nog een simpel papieren label aan het zakje hangen. Iedere ochtend en middag word ik getergd met wijsheden als ‘happiness lies not in the pleasure, but the joy’. Was je al niet chagrijnig, dan zakte je humeur tot een dieptepunt, omdat het theezakje je er fijntjes op wijst dat je je eigen geluk volledig zelf in de hand hebt.

Maar het aller-, allerergst vind ik nog wel de vragen die me dagelijks brutaalweg gesteld worden door een bekend theemerk dat begint met een P. Ik ben tegenwoordig al op mijn hoede bij het openen van de voorraadbus: met dichtgeknepen ogen pak ik een zakje eruit en hang dit in het kokende water. Maar helaas, tussen mijn wimpers door komt dan toch die onvermijdelijke vraag op me af. ‘Wat is je droombaan?’ ‘Als jij een glazen bol had, wat zou je daar dan graag in willen zien?’ Of, het wordt steeds gekker: ‘Wat is iets wat nog niemand van je weet?’ Theemakers, houd hiermee op! Een vriend die met oprechte interesse een vraag stelt en daarna luistert en doorvraagt totdat ik ben uitgepraat: er is niets mooiers dan dat. Maar jij bént mijn vriend niet, theefabrikant. Je merknaam en de theesoort noemen, dat is genoeg. Laat mij weer gedachteloos een pot thee zetten asjeblieft. Wijsheden verkondigen en de vragen des levens beantwoorden doe ik graag op het moment dat het míj uitkomt!

 

 

 

lijdenstijd

Gekleurde chocolade-eitjes, Paas-VIP-party’s bij de lingeriewinkel en huppende paashazen op het meubelplein: ik heb niet zoveel met de ‘Vrolijk Pasen!’-cultuur. Maar de weken vóór Pasen vind ik een van de mooiste perioden van het jaar (het festivalseizoen, dat daarna aanbreekt, mag er natuurlijk ook zijn). Ik heb veel meer affiniteit met het lijden dan met die opgeklopte vrolijkheid. En dat komt niet omdat ik een zwartgallige somberaar ben. Integendeel, ik vind het heerlijk om in goed gezelschap te genieten van de fijne dingen die het leven biedt (zoals eerdergenoemde festivals). Maar juist omdát je beseft of zelfs accepteert dat het leven ook lijden is, komt er meer waardering voor de mooie, soms heel kleine dingen.

Ik houd van de weken voor Pasen. Twee weken geleden luisterde ik ademloos naar de Matthäus Passion. Ik had het stuk nog nooit live gehoord, het was een fantastische belevenis. De afgelopen dagen was ik in de Janskerk voor de viering van Palmzondag, Witte Donderdag en Goede Vrijdag. In feite is het lijdensverhaal een theaterstuk in vijf delen, eindigend op paaszondag. Het verhaal van het lijden en sterven van Christus: ik heb het al zo vaak beluisterd, maar elke keer hoor ik weer wat nieuws. Het staat symbool voor de hoop. Er is lijden, er is afzien, maar daarna wordt het beter. Het hoeft niet per se goed te komen, het wordt anders: maar altijd gloort er licht aan de horizon. ‘Het kruis als symbool van lijden en dood zal verlossing brengen,’ schrijft filosoof Piet Winkelaar erover in Trouw (14 april 2017). ‘Het passieverhaal staat in onze cultuur symbool voor hoe mensen met hun lijden kunnen omgaan.’ Winkelaar meldt overigens, volkomen terecht, dat niet alleen dit verhaal ons wijst op de realiteit van lijden en dood. Ook Boeddha, Lao Tse, Socrates en vele anderen doen dit.

In dezelfde krant staat een interview met mijn lievelingspsychiater Dirk De Wachter, die stelt dat het eigenlijk elke dag een beetje Goede Vrijdag zou moeten zijn. ‘We lijken het lijden verleerd,‘ zegt hij. ‘De westerse samenleving creëert de illusie dat er geen lijden is. Ik noem dat de leukigheidscultuur. Je ziet het op Facebook, al die feestjes, de pretparkerigheid. Ik heb niets tegen mensen die zich amuseren, maar ik merk dat we het onvermijdelijke lijden ontkennen.’ De Wachter constateert dat er wel meer aandacht komt voor het lijden in het geseculariseerde Nederland: ‘Alsof er een barst zit in de leukigheidscultuur, dat het even oké is om naar Bach te luisteren.’ Die ene dag per jaar, Goede Vrijdag, is echter te weinig om bezig te zijn met lijden, vindt De Wachter. Er moet meer aandacht komen voor het lijden.

Maar hoe dan? Is het een idee om massaal ons verdriet op Facebook uit te storten? Ik vind van niet. Natuurlijk is het mooi als mensen op sociale media niet alleen de blije, maar ook de nare dingen van het leven  delen. Daarmee toon je je kwetsbaarheid. Maar je kunt ook koketteren met je ellende. Dat zie je bijvoorbeeld bij emo-tv: het verdriet van mensen wordt hier ingezet als vermaak. Zoals bij het jaarlijkse kijkcijferkanon The Passion. Het is te prijzen dat het paasverhaal door dit tv-programma bij een breed publiek bekend wordt. Maar wat heb ik altijd te doen met de mensen die, lopend naast het helverlichte witte kruis, huilend hun kommer en kwel met miljoenen sensatiebeluste kijkers delen. Voor dat moment lucht het misschien op, maar voor de lange termijn lijkt het me toch fijner als je je leed op een andere manier een plaats kunt geven. Net als De Wachter pleit ik ervoor om juist in de intimiteit van huiskamer of kroeg meer voor de dag te komen met onze eenzaamheid, ons verdriet en onze schaamte. Dit te delen met familie, geliefden of vrienden leidt heus niet meteen tot een oplossing. Maar wel tot herkenning en verlichting. Een lichtpuntje aan het eind van de lijdenstijd.

 

 

 

 

niet negatief

Sinds 1 maart is schrijver Marnix Pauwels een maand lang niet negatief. Hij schrijft er  dagelijks blogs over en twittert over zijn ervaringen via  @nietnegatief. ‘Zowel on- als offline zal ik niemand afzeiken, bekritiseren of proberen te beschadigen. Ik zal niet klagen en niemand de maat nemen,’ heeft hij zich voorgenomen. Ik volg zijn blogs met interesse. En ik kan me er zó in vinden. Een ander nieuw twitteraccount is @tevredenlander, dat mensen ‘uitnodigt na te denken en te delen over waarover je tevreden bent in Nederland.’

Waarom spreken deze initiatieven me zo aan? In de eerste plaats vanwege het verfrissende tegengeluid. En in de tweede plaats omdat me een spiegel wordt voorgehouden. Want al ben ik een tamelijk blij ei, ik laat me in persoonlijke (WhatsApp-)discussies zo nu en dan verleiden tot bijna literair te noemen vilein proza – en ik schep er nog genoegen in ook. De blog ‘boze appjes’ van Marnix leek dan ook speciaal voor mij geschreven.

Op twitter, Facebookpagina’s en online nieuwssites geven mensen elkaar er vaak van langs. Onschuldige discussies kunnen er genadeloos uit de hand lopen omdat mensen hun gelijk willen halen. Heeft een politicus iets gezegd wat jou niet aanstaat? Daar worden de emmers vol drek op zijn of haar Facebookpagina omgekeerd. Zegt iemand iets onaardigs over jouw favoriete zanger / tv-held / schrijver / huisdier? Gevierendeeld moet hij worden, en wel direct. Zit je te wachten op een pakje dat niet op tijd bezorgd wordt? Hop, meteen gaat er een woedende tweet de wereld in. Internet is de perfecte uitlaatklep voor gefrustreerde lieden die het een uitdaging vinden anderen zo hard mogelijk te treffen. Heerlijk anoniem, zonder je af te vragen hoe kwetsend je uitingen kunnen zijn.

Minder schokkend, maar erg vermoeiend, is het eindeloze gejeremieer over de kleinste dingen. Maandagochtend, een regenbui, de verkiezingen, de uitslag van de verkiezingen, de formatie – iedereen doet er zijn of haar zegje over. En waarom eigenlijk? Wat maakt mopperen zo aantrekkelijk? Daar zijn drie redenen voor, vertelt geluksprofessor Patrick van Hees in een artikel op de site van de NOS. De negativity bias, vrijheid van meningsuiting en de invloed van politici en media. De aanleiding voor het artikel is de CBS-conclusie dat bijna 90% van de Nederlanders zich gelukkig voelt. En toch klagen we steen en been. Patrick van Hees stelt dat we zijn getraind om negatieve dingen eerder te zien dan positieve dingen, de negativity bias. Dit is een overlevingstechniek uit de oertijd. Ook zegt Van Hees dat er een overdreven focus is op het negatieve: als je in de media hoort dat iets fout gaat, worden deze klachten snel overgenomen.

Zelf denk ik dat klagen ook een gevoel van politieke correctheid of zelfs superioriteit kan geven: ‘Kijk mij eens kritisch nadenken’. ‘Ik ben het niet snel met iemand eens.’ Kritisch zijn is natuurlijk goed, je hoeft niet alles te pikken. En als een pakje niet bezorgd wordt is klagen alleen maar effectief; je hebt immers recht op dat product. Maar klagen om het klagen veroorzaakt een negatieve sfeer. En dat is wat initiatieven als  #nietnegatief en #tevredenlander proberen te doorbreken. Maar hoe dan? Door lief en aardig te zijn en alles over je heen te laten komen? Nee. Marnix geeft een paar tips in een van zijn eerste blogs: je hoeft niet altijd te reageren. Gun die ander het laatste woord. En niks is persoonlijk: als iemand je afzeikt, gaat het altijd over die ander.

Ik word er blij van. En het daagt me uit. Door me in te spannen niet negatief te zijn, doorbreek ik mijn vaste patronen. In een wereld waarin we soms overstelpt worden door narigheid klamp ik me vast aan dit soort lichtpuntjes.