Alle berichten van Olga Leever

laat mannen mannen zijn

De ophef rondom de SIRE-campagne ‘laat jij jouw jongen genoeg jongen zijn’ is alweer enige tijd geluwd. (Ik schreef er deze zomer een blog over.) Toch bleef de campagne me bezighouden. Het werd dus tijd om Waar is mijn speer ter hand te nemen, een boek over de rol van de man in de 21e eeuw. Het is geschreven door de Britse journalist en documentairemaker Tim Samuels.

Mannelijkheid wordt vaak geassocieerd met brute kracht, agressie en gevoelloosheid. ‘Echte mannen huilen niet.’ Maar wat we uit het oog zijn verloren, schrijft Samuels, is ‘de inherente, duurzame kracht van mannelijkheid – en hoe die kan worden aangewend als een positieve kracht’. In het boek gaat hij op zoek naar moderne manieren van mannelijkheid. Want mannen moeten weer man zijn, stelt hij. Maar hoe dan? Ik zet de belangrijkste lessen van Tim Samuels voor je op een rij.

  1. Kom in beweging, adviseert Samuels. Letterlijk. De oerman was een jager. Hij liep de hele dag buiten, trok met een speer de natuur in. De adrenaline gierde door zijn lichaam. De man anno 2017 heeft geen speer, maar een smartphone in zijn hand. Hij zit de hele dag binnen achter een toetsenbord. Waar moet hij zijn adrenalinekick vandaan halen? Sommige mannen zoeken hun heil in snelheidsovertredingen, drankmisbruik of voetbalvandalisme, stelt Samuels. Op die manier voelt de man nog iets van dat avontuur in zijn lichaam. Die vitale kracht van de jager kunt je echter ook op andere manieren de ruimte geven. Door je af te beulen in de sportschool. Door de Haka te dansen. Of door hout te hakken voor de open haard. Niet voor niets zijn mannen die buiten werken, bijvoorbeeld in de bouw, gelukkiger dan kantoorklerken.
  2. Markeer de overgang van jongen naar man. Dit kan met een initiatieritueel. Zo’n ritueel is in veel culturen gebruikelijk (geweest). Het is een belangrijk onderdeel in de ontwikkeling van een jongen. Door een ritueel wordt benadrukt wat de verantwoordelijkheid is van een man.  Bij gebrek aan een overgangsritueel bewijzen jongens hun mannelijkheid door het plegen van een misdrijf of andere stoerdoenerij. In Australië en de VS wordt het overgangsritueel vooral ingezet binnen de hulpverlening, voor jongens uit risicogroepen. Dit gebeurt onder het motto ‘je kunt beter kinderen sterk maken dan gebroken volwassenen repareren.’ Maar waarom laten we niet alle jongens zo’n ritueel ondergaan, vraagt Samuels zich af. In een initiatierite van een paar dagen leren jongens wat er hoort bij het leven van een volwassen man, onder meer door verhalen aan te horen van oudere mannen.
  3. Wees realistisch over relaties. Als het gaat om de liefde, onderscheidt Samuels vier typen mannen: van de romanticus in wiens hoofd het niet opkomt om naar anderen m/v te kijken tot en met de seriële vreemdganger. De meest voorkomende man is het type ‘wel kijken, niet aankomen’; een gewone vent die van zijn partner houdt, maar wel houdt van veilig flirten omdat dit hem het gevoel geeft dat hij nog een beetje meetelt. De man is van nature niet gemaakt om monogaam te zijn: hij heeft ‘apenballen’. In de natuur zegt de balomvang iets over seksueel gedrag. De gibbon is een monogame aap, hij heeft kleine testikels. De mensentestikels zijn groter dan die van de gibbon, maar kleiner dan die van de chimpansee die veel verschillende partners heeft. En dus vecht de man ‘tegen zijn biologische software om te kunnen voldoen aan de eisen van het kerngezin’. Vreemdgaan is voor hem een rebelse daad, vergelijkbaar met ruzie zoeken of een misdaad plegen. Een man gaat vreemd omdat hij zich slecht voelt over zichzelf. Een vrouw gaat vreemd omdat ze vindt dat de relatie slecht is. Als zij vreemdgaat staat ze al met een been buiten de relatie, als hij vreemdgaat is dat geen teken dat er iets mis is in de relatie. Samuels citeert een relatietherapeut, die zegt: ‘Het is een groot experiment om twee fundamentele menselijke behoeften, namelijk de behoefte aan veiligheid en de behoefte aan avontuur, in één relatie samen proberen te brengen.’ Wees daarom realistisch over je relatie: verwacht niet alles van je vrouw of man; breng regelmatig tijd door met andere mensen dan enkel en alleen je partner.
  4. Zorg je dat je geestelijk gezond blijft. Veel mannen lijden aan depressies. Ze zijn gewend hun gevoelens op te kroppen en stoere praat te bezigen, ook al voelen ze zich nog zo rot. Doe dit niet, zegt Samuels. Praat over je gevoelens. En zorg dat je niet al teveel stress hebt. Doe aan yoga, of mediteer.
  5. Zoek andere mannen op en doe dingen samen met hen. Bier drinken of darten zijn voor de hand liggende opties, maar zoek liever naar activiteiten waar je je energie in kwijt kunt. Zoals rugby, boksen of een bootcamptraining. Niet alleen om de vitale kracht van de jager te voelen (zie punt 1) – maar ook omdat het goed is om met mannen onder elkaar te zijn. Sommige mannen zitten volledig bij hun vrouw onder de plak. Avond aan avond brengen ze naast haar door, thuis op de bank voor de tv. Een slechte zaak, zegt Samuels. Mannen kunnen onder elkaar heel flauw zijn, hun energie en humor zijn anders dan die van vrouwen. En dat hebben mannen nodig. ‘Het leven lijkt minder zwaar als je bij je vrienden bent’, aldus Samuels.

Er staat nog zoveel meer in het boek. Over de relatie tussen cornflakes en masturberen. Over de serieuze gevaren van extreme pornofilms. Over de kunst van het het versieren. En over het grote belang van goed vaderschap. Waar is mijn speer is een eye-opener voor mannen én vrouwen. Vooral omdat het boek laat zien wat die mannelijke kracht voor mooie dingen voor de wereld kan betekenen.

 

twaalfenhalf jaar ondernemer

LinkedIn hielp me eraan herinneren deze zomer: in juli bestond mijn bedrijf de schone schrijfster 12,5 jaar. Een moment om te vieren! Hoe spannend ik het ook vond om voor mezelf te beginnen in 2005, nu moet ik er niet meer aan denken om een dienstverband te hebben. Ik houd van de puurheid van het ondernemerschap: je spant je in en het levert je iets op. Een klus, geld, een goed contact, een mooie ervaring … Werk je niet, dan verdien je geen geld. Zo eenvoudig is het.

Ondernemen is ook vrijheid: ik werk wanneer het mij uitkomt. Meestal gewoon vijf dagen per week van 9 tot 5. Maar toch: als ik eerder wil stoppen omdat ik op een terras wil zitten, dan kan dat. Wil ik een dagje naar de sauna doordeweeks, dan kan dat ook. En kies ik ervoor om op zondagmiddag een offerte te maken, dan is dat prima. Daarnaast houd ik van de creativiteit: nieuwe plannen maken, samenwerken met mensen die ik zelf uitkies, werken op de plek die ik wil.

Voor mijn 12,5-jarig jubileum vroeg ik de Utrechtse tekenaar Argibald een kaart te ontwerpen voor mijn klanten. Ik ben blij met het resultaat! Mijn klanten kregen het kaartje toegestuurd, samen met een mapje met vijf ansichtkaarten – eveneens van Argibald. Zo stimuleer ik het ambacht dat we bijna verleerd zijn: schrijven met de pen. Geen snelle mail of app-bericht, maar echte, fysieke, trage post. Omdat het goed is om af en toe even stil te staan.

Benieuwd naar mijn ondernemersverhaal? Een terugblik op 12,5 jaar de schone schrijfster lees je hier!

 

 

kind (m/v)

Op de basisschool had dochter een vriendje dat dol was op onze verkleedkist. Met drie meiden en één jongen in huis waren de prinsessenjurken oververtegenwoordigd in genoemde kist. En daar was het de jongen, laten we hem Jeffrey noemen, precies om te doen. Als hij bij dochter kwam spelen, trippelde hij de hele middag in zachtroze gewaden door het huis. Hij drapeerde goudglanzende sjaals om zijn schouders en koos er zorgvuldig bijpassende sieraden bij. Jeffrey’s ouders echter waren bepaald niet gecharmeerd van de verkleedpartijen. Als het jochie werd opgehaald na de speelafspraak en het kind in de hal verscheen met zilverglitterende engelenvleugels op zijn rug, verzuchtte vader geïrriteerd: ‘Loop je weer in meidenkleren!’ Waarop Jeffrey schuldbewust de vleugels van zich afwierp en met een beteuterde blik in z’n ogen met z’n vader ons huis verliet. Arme jongen.

Aan Jeffrey moest ik denken toen de SIRE-campagne ‘Laat jij jouw jongen genoeg jongen zijn’ deze week van start ging. SIRE komt in het campagnefilmpje met een ‘onverwoestbare broek’ op de proppen, die jongens kunnen dragen tijdens het buiten spelen. Jongens willen, aldus SIRE, in hun spel risico’s nemen en ontdekken. Ze willen dóen. En daar is, horen we in het filmpje, de laatste jaren minder aandacht voor. ‘Jongens moeten stil zijn en luisteren’. Bovendien hebben ze te weinig mannelijke rolmodellen: er staan steeds meer vrouwen voor de klas.

De SIRE-campagne maakt me kwaad. In de eerste plaats omdat het lijkt alsof vrouwen de boosdoeners zijn in dit verhaal. Natuurlijk, er staan meer vrouwen dan mannen voor de klas. (Het CBS meldt dat het aandeel vrouwen dat les geeft in het basisonderwijs sinds 2005 is gestegen van 82 naar 87 procent in 2015.) Een gelijke man/vrouw-verdeling zou het meest ideaal zijn. Echter: ‘de feminisering van het onderwijs’ klinkt alsof het iets vreselijks is. ‘Alsof het een aandoening is waartegen je moet worden ingeënt. Dat je bij de dokter komt en zegt “o dokter, ik heb de laatste tijd weer zoveel last van feminisering”’, stelt Japke-d Bouma in haar column in NRC Is er nou te veel of te weinig feminisering? Eeuwenlang stonden er uitsluitend mannen voor de klas. De laatste veertig jaar wordt dit eindelijk gelijkgetrokken en neemt het aantal vrouwen in het onderwijs toe. Zoek voor de aardigheid eens via Google afbeeldingen naar ‘schoolklas jaren 50′. Je ziet dan al aardig wat vrouwen voor de klas. Toen ik trouwens de schoolfoto’s uit die tijd bekeek, dacht ik nog iets anders: juist de jaren 50 en 60 was dé tijd waarin het ‘stil zijn en luisteren’ hoogtij vierde. Onze ouders en grootouders en ook mijn generatie moesten echt wel stil zitten op school. Zes uur lang, iedere dag. En al die jaren gingen veel jongens na schooltijd buiten spelen, in bomen klimmen, fikkie stoken en vielen ze een gat in hun broek.

De campagne slaat de plank mis omdat het volgens mij om twee heel andere dingen gaat. Ten eerste zijn ouders banger geworden. Kinderen mogen aan geen enkel risico meer worden blootgesteld. Voor een deel terecht: het verkeer is drukker dan dertig jaar geleden. Ook zijn er steeds minder ruige terreintjes waar kinderen kunnen spelen met takken, stenen en modder. Bijna niets wordt meer aan het toeval overgelaten, kinderen worden met de auto gebracht en gehaald naar vioolles / hockey / peuteryoga / enzovoort. Hebben we twijfels over een opvoedvraagstuk, dan bespreken we dit niet met onze vrienden, maar met de orthopedagoog. Al deze overbezorgdheid leidt ertoe dat kinderen tere poppetjes worden. ‘Onuitstaanbare prinsjes en prinsesjes’ noemt een van mijn favoriete schrijvers Mirjam Schöttelndreier hen in Monsters van kinderen, draken van ouders. Deze prinselijke kinderen mógen niet buiten het hek spelen, want anders worden ze vies, komen ze enge mannen tegen, breken ze hun been of gaan ze doktertje spelen. Liever hebben ouders controle over ze, bijvoorbeeld in de speeltuin voor het huis, of worden ze achter tv of iPad geplaatst, want dat is veilig en lekker rustig. Ik denk dat die ouderlijke overbezorgdheid een van de oorzaken is dat kinderen minder vaak ‘kapotte broeken’ hebben.

Dit is een plaatje uit de gids van Top Toy, een Zweedse speelgoedfabrikant die speelgoed op genderneutrale wijze aanbiedt.

De allerbelangrijkste misser uit de campagne vind ik echter deze: het filmpje gaat helemaal niet over jongens. Het filmpje gaat over kinderen. Jongens én meisjes leren door te ontdekken en grenzen op te zoeken. Voor kinderen (m/v) is het spannend en leuk om in bomen te klimmen, scheikundige proefjes te doen, verschillende kleuren nagellak uit te proberen, met Barbies, autootjes en Lego te spelen. Veel jongens vinden het fijn om te klimmen, klauteren en schreeuwen. Veel meisjes vinden dat ook. Daarnaast zijn er jongens én meisjes die liever lezen, een kleurplaat kleuren of make-up op doen. Ouders die meteen ‘neeee, dat is voor jongens!’ schreeuwen, remmen de ontwikkeling van hun kind. Waarom moet een speelgoedwinkel streng worden gescheiden in een roze en een blauw segment? Waarom mogen meisjes geen korte haren en kunnen jongens geen rokje aan? Wat zou het mooi zijn als we bij de geboorte van een kind niet roepen ‘het is een meisje’, maar ‘hoera, er is een mens geboren!’

Kortom: laat kinderen zelf uitproberen wat bij ze past. En stimuleer ze bij het doen van deze ontdekkingen. Geef ze geen onverwoestbare broek, maar een onverwoestbaar gevoel van eigenheid en zelfvertrouwen.

Aanvullend: op 1 augustus las ik deze reactie op de campagne in Trouw, geschreven door Jens van Trigt en Hanneke Velten. Zeer mee eens: Sire-campagne doet jongens tekort en moedigt stereotiep gedrag aan 

de latte-factor

‘Wat is jouw latte-factor?’, stond vorige week op de scheurkalender die aan mijn wc-deur hangt. De latte-factor? Nooit van gehoord. Ik las de uitleg op de achterkant van het kalenderblad. Aha: de latte-factor is de optelsom van kleine bedragen die je uitgeeft. Denk aan koffie, een broodje, een glas wijn op een terras. ‘Door je bewust te worden van je kleine uitgaven kun je op de lange termijn flink wat geld besparen,’ tipt de Psychologiekalender. Als ik meer informatie zoek over dit boekhoudkundige bedenksel, kom ik op de website van het Nibud uit. Lees meer over de Latte-factor in dit artikel van het Nibud

Tuurlijk, de financieel deskundigen hebben gelijk. Als je geen broodjes, bier en bitterballen buitenshuis consumeert, houd je maandelijks geld over. In mijn geval zal dat een leuk bedragje zijn. Maar o, wat ademt de latte-factor een benepenheid uit! Hollandse zuinigheid ten top. Want die kop koffie of lunch buiten de deur is toch véél meer dan enkel een kostenpost?

Mijn opa Leever was kind aan huis bij de horeca. Tot hij trouwde, zo rond zijn 35e, at hij dagelijks de warme maaltijd bij zijn Amsterdamse stamkroeg de Poort van Cleve (het bestaat nog altijd). Heerlijk toch? Net als hij mag ik me graag onder de mensen begeven. En dan ga ik niet op een droogje zitten. Ik denk er niet eens bij na: ga ik de deur uit, dan drink ik koffie op de plek waar het me uitkomt. Ik ben niet rijk, ben beslist geen big spender, maar latte-uitgaven zijn me meer waard dan nieuwe schoenen of een verre reis. Het uitzicht vanaf een terras op het Wed, de Mariaplaats of de Oosterkade. Het geroezemoes en gelach om je heen. De onverwachte ontmoetingen en inspirerende ingevingen. Het geluid van rinkelende fietsbellen, het lentebriesje op je huid tijdens een goed gesprek. Dit alles zou ik voor geen goud willen missen. Bijpraten met vrienden doe ik dan ook meestal in de stad. Ook zakelijk spreek ik regelmatig af in een restaurant of op een flexwerkplek. En ja, dan betaal je voor je cappuccino’s. De lunch, de borrel – inderdaad, je krijgt er een rekening voor. Maar dat is toch logisch? Dienstverlening kost nou eenmaal geld. Je krijgt er toch ook iets voor terug?

Ik voel er weinig voor om thuis op de bank triomfantelijk te gaan berekenen hoeveel geld ik bespaar als ik niet meer de stad inga. Voor mij symboliseert de latte levensvreugde, vriendschap en sociale contacten. En dat zijn factoren waarop ik liever niet bezuinig.

 

de zegeningen van de saaiheid

Nieuw is spannend. Oud is saai. En dus vind ik het elke zomer nodig twee of drie nieuwe jurken te kopen – alsof dat jurkje met aardbeienprint nou zo wezenlijk anders is dan het exemplaar met kersenprint. Wéér bekijk ik dromerig verschillende websites met vakantiebestemmingen. Opnieuw maak ik allerlei plannen. Plannen maken is leuk. Dromen is fijn. Van het onbekende gaat een magische aantrekkingskracht uit. Nadenken over een innovatie, over een nieuw bedrijf of nieuwe dienst … wat fantastisch is die brainstormfase. Fonkelende ogen, woorden die over elkaar heen buitelen, slordige aantekeningen met een veelbelovende inhoud. Idem in de liefde. Die eerste date, de eerste zoen,  de gedichten, de rozen, de witte wijn, de vioolmuziek. Nieuw is verdovend. Nieuw is mooi.

Maar de glans gaat eraf. Onherroepelijk. In het aardbeienjurkje zit een haal van de kat. Tegen de verse gesausde muren in mijn woning zijn muggen doodgeslagen. Het huis moet iedere week gedweild. Het innovatieve bedrijf en de geïmplementeerde cultuuromslag zijn op een dag niet meer zo vernieuwend – beheer en onderhoud zijn minstens zo belangrijk. En ook liefde en vriendschap vragen om onderhoud. Nieuwsgierigheid maakt plaats voor weten. De spannende verscheidenheid wordt ingeruild voor onbegrip. Daar komt bij dat ‘nieuw’ heus niet altijd leuk is. Je wordt er soms zo hyper van. Oud mag saai zijn, maar het geeft ook rust. Hoe fijn is het om elke avond weer m’n eigen vertrouwde huis binnen te stappen. Met dezelfde lieve huisgenoten. Om al jarenlang hetzelfde leuke werk te doen. En dezelfde vertrouwde vrienden om me heen te hebben.

Ik kan wel eens afgunstig luisteren naar vrouwen die zuchten dat hun man alwéér niet gestofzuigd heeft. Of met vochtige ogen kijken naar stellen die ik jaar in, jaar uit in met dezelfde caravan achter de auto dezelfde straat uit zie rijden – om naar telkens weer hetzelfde land op vakantie te gaan. Met hetzelfde beddengoed dat geurt naar het vertrouwde waspoedermerk. En met dezelfde gehaakte toiletrolhouder op de hoedenplank. Mijn leven is aangenaam afwisselend, maar we vergeten nog wel eens de diepere betekenis van sleur. Daarom draai ik nu, op deze heel gewone tweede pinksterdag, één van mijn lievelingsliedjes van Claudia de Breij: sleur met jou. Voor mezelf, maar ook als opstekertje voor de langdurig samenwonende setjes om me heen die vinden dat hun relatie saai en sleets is. Count your blessings. 

 

ode aan de moeder

In zijn fenomenale liedje Moederdag (beluister het liedje hier) bezingt Hans Dorrestijn hoe het gelukzalige Moederdagtafereeltje dat ons in de reclame wordt voorgespiegeld, meestal in werkelijkheid verloopt. ‘Moeder, twee helften van een plaat, want hij brak, ’t was een plaat van James Last.
Trouwens, Dirk-Jan had, voor ‘ie ‘m brak, uw naam d’r al ingekrast. 
Moeder, wij houden zo veel van u, u huilt nu zelfs van gelukWij kinderen zijn een zaligheid, ook al maken we nog zoveel stuk.’ De kinderen doen hun best, maar de thee is slap en de dure cadeaus zijn gesneuveld. Ja, kinderen zijn af en toe klunzen. Maar vaders en moeders ook. We doen maar wat. Op hoop van zegen.

Op deze Moederdag breng ik een ode aan alle ploeter- en loedermoeders, stief- en goed-genoegmoeders, Tijgermoeders, alleenstaande moeders en al die moeders die ik in deze opsomming vergeten ben. Natuurlijk vaders, ook jullie doen ertoe. Maar nu gaat het even over de vrouw die ons het leven schonk. De moeder, geliefd en gehaat. Soms is ze raadgever, dan weer fungeert ze als boksbal. Soms is ze je vertrouwensvrouw, dan weer verzwijg je haar maanden- of jarenlang dat wat je ten diepste bezighoudt. Je kunt haar van alles verwijten. Maar als je zelf moeder wordt, begrijp je dat ook zíj maar wat deed. Want dat doen alle moeders. Je overlegt met de vader van je kinderen, je doet dingen die je in je eigen jeugd hebt meegekregen – of juist niet. Je praat met andere ouders, leest opvoedrubrieken, raadpleegt misschien zelfs een psych. Maar uiteindelijk doe je toch dat wat jou het beste lijkt.

tekening: Peter van Straaten
Ik ben vooral een goed-genoegmoeder (je leest er meer over in een column die ik rond 2010 voor Stichting Stiefmoeders schreef). Waarom? Omdat deze levenshouding een weldaad is voor jezelf en voor je kinderen. Niemand is perfect: mijn kinderen niet, hun vader niet, en ik al helemaal niet. Vanzelfsprekend hebben exgenoot en ik de kinderen alles gegeven wat nodig was. We hebben ze manieren bijgebracht, we hebben ze begeleid bij hun schoolkeuze, we hebben ze gestimuleerd bij het uitoefenen van hun hobby’s. Maar ‘alles eruithalen wat erin zit’? Dat is niet aan mij besteed. Kinderen zijn geen project. Lukt iets niet, dan houdt het op. Daarnaast: je kunt kinderen niet overal tegen beschermen. In mijn beleving is het juist goed om ze niet overal bij te begeleiden. Teveel verwennen en koesteren maakt zelfs ongelukkig, las ik in een artikel over de ‘Pampergeneratie‘.

De goed-genoegmoeder huldigt het principe van ‘liefdevolle verwaarlozing’. Zielsveel houden van je kind, maar het juist daarom gunnen om zo snel mogelijk zelfstandig te worden. Loslaten, in hun belang en je eigen belang. Interesse tonen waar het moet, je afzijdig houden waar het kan. Toen de kinders klein waren bracht ik wekelijks uren door in de diverse speeltuinen van Utrecht-Oost. Geen ingewikkelde, geldverslindende uitstapjes naar sensationele pretparken – nee, zij vermaakten zich in de speeltoestellen, terwijl ik de krant las en gesprekken voerde met andere bankzittende ouders. De kinderen blij, ik blij. Toen ze ouder werden mochten ze al vrij snel zelfstandig op de fiets naar vriendjes. En nu ze volwassen en bijna-volwassen zijn, leven ze steeds meer hun eigen leven. Vriendin B. benoemde de rol van de pubermoeder heel fraai: ‘Je moet beschikbaar zijn.’ En zo is het. In ons driepersoonsgezin bespreken we de plannen: zij spreken met hun vrienden af, ik met de mijne. En tussendoor ben ik beschikbaar voor vragen. Hetgeen niet wegneemt dat er geregeld opvoedkundige gesprekjes plaatsvinden aan tafel of ’s avonds op de bank. Sturing blijft nodig. Intussen zien de kinderen dat hun moeder het naar haar zin heeft in het leven. En dat lijkt me een van de beste lessen die je je kinderen mee kunt geven.

Ploeter-, loeder-, bonus- of wat-dan-ook-moeder, misschien word je vandaag in het zonnetje gezet. Misschien ook niet. Maakt niet uit: je mag er zijn! Laat de boel de boel, verwen jezelf met een goed boek, een dagje sauna of een wijntje met vrienden. En realiseer je: het kan altijd beter, maar je bent goed genoeg.

 

 

 

 

 

theezakjeswijsheden

‘Today is the first day of the rest of your life.’ ‘Alles is mogelijk, als je maar durft’. Sinds het bestaan van Facebook en Instagram worden we dagelijks met inspirerende citaten om de oren geslagen. In het pre-Hyvestijdperk liep je hooguit in oma’s seniorenflat een paar spreuken tegen het lijf. In sierlijke letters stonden ze op een tegeltje geschilderd: ‘oost west, thuis best’. Of ‘zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten’. Niets tegenin te brengen toch?  Toen in de jaren 90 de meditatiecursus zijn intrede deed, kwam de spirituele spreuk ons leven binnen. In bladen als Happinez stonden ze afgedrukt, bij foto’s van een stapel stenen langs een stromend beekje. Ze werden als extraatje meegeleverd op ansichtkaarten, die mijn vriendinnen en ik elkaar op verjaardagen stuurden. Met zo’n quote toonde je aan dat je een Diepe Denker was. Zo’n kaart was het bewijs van creativiteit, goede smaak en originaliteit.

Sinds de quotes op Facebook en Instagram worden verspreid, krijgen ze een pusherig karakter. ‘Je ziet direct waar we de zelfverbeteringsfocus hebben liggen,’ schreef Jacq. Veldman in een Volkskrantartikel van afgelopen zaterdag, De ondraaglijke lichtheid van de inspirerende spreuk. ‘Voornamelijk bij het idee dat je je hele leven zelf in de hand hebt.’ Veldman noemt de spreuken ‘dwangmatig positief ingestoken zelfhulpboeken in het klein’. Maar erger nog dan de spreuken op zichzelf, meent ze, ‘zijn de mensen die ze te pas en te onpas in je gezicht gooien – en daarna wijsneuzig om zich heen kijken. (…) Met het delen van de semi-diepzinnige wijsheid wordt degene die hem deelt zélf een beetje onderdeel van die wijsheid.’

Toch vind ik het delen van deze quotes op social media nog tot daar aan toe. Wijsneuzerige Facebookvrienden of twitterende coaches  kun je immers ontvrienden. Veel erger is het, dat de spiritualiteit nu zelfs de keuken binnendringt. Het is ons anno 2017 niet meer gegund argeloos een kopje thee te zetten. Een jaar of drie geleden verschenen voor het eerst theezakjes met dwingende connotaties als ‘tea for two’ of ‘even een momentje voor jezelf’ op het label. ‘Dat maak ik zelf nog wel uit,’ dacht ik woest bij het openscheuren van zo’n zakje. Op dat moment kon ik echter niet bevroeden hoe het er heden ten dage voorstaat in theezakjesland. Geen enkel zichzelf respecterend merk heeft nog een simpel papieren label aan het zakje hangen. Iedere ochtend en middag word ik getergd met wijsheden als ‘happiness lies not in the pleasure, but the joy’. Was je al niet chagrijnig, dan zakte je humeur tot een dieptepunt, omdat het theezakje je er fijntjes op wijst dat je je eigen geluk volledig zelf in de hand hebt.

Maar het aller-, allerergst vind ik nog wel de vragen die me dagelijks brutaalweg gesteld worden door een bekend theemerk dat begint met een P. Ik ben tegenwoordig al op mijn hoede bij het openen van de voorraadbus: met dichtgeknepen ogen pak ik een zakje eruit en hang dit in het kokende water. Maar helaas, tussen mijn wimpers door komt dan toch die onvermijdelijke vraag op me af. ‘Wat is je droombaan?’ ‘Als jij een glazen bol had, wat zou je daar dan graag in willen zien?’ Of, het wordt steeds gekker: ‘Wat is iets wat nog niemand van je weet?’ Theemakers, houd hiermee op! Een vriend die met oprechte interesse een vraag stelt en daarna luistert en doorvraagt totdat ik ben uitgepraat: er is niets mooiers dan dat. Maar jij bént mijn vriend niet, theefabrikant. Je merknaam en de theesoort noemen, dat is genoeg. Laat mij weer gedachteloos een pot thee zetten asjeblieft. Wijsheden verkondigen en de vragen des levens beantwoorden doe ik graag op het moment dat het míj uitkomt!

 

 

 

lijdenstijd

Gekleurde chocolade-eitjes, Paas-VIP-party’s bij de lingeriewinkel en huppende paashazen op het meubelplein: ik heb niet zoveel met de ‘Vrolijk Pasen!’-cultuur. Maar de weken vóór Pasen vind ik een van de mooiste perioden van het jaar (het festivalseizoen, dat daarna aanbreekt, mag er natuurlijk ook zijn). Ik heb veel meer affiniteit met het lijden dan met die opgeklopte vrolijkheid. En dat komt niet omdat ik een zwartgallige somberaar ben. Integendeel, ik vind het heerlijk om in goed gezelschap te genieten van de fijne dingen die het leven biedt (zoals eerdergenoemde festivals). Maar juist omdát je beseft of zelfs accepteert dat het leven ook lijden is, komt er meer waardering voor de mooie, soms heel kleine dingen.

Ik houd van de weken voor Pasen. Twee weken geleden luisterde ik ademloos naar de Matthäus Passion. Ik had het stuk nog nooit live gehoord, het was een fantastische belevenis. De afgelopen dagen was ik in de Janskerk voor de viering van Palmzondag, Witte Donderdag en Goede Vrijdag. In feite is het lijdensverhaal een theaterstuk in vijf delen, eindigend op paaszondag. Het verhaal van het lijden en sterven van Christus: ik heb het al zo vaak beluisterd, maar elke keer hoor ik weer wat nieuws. Het staat symbool voor de hoop. Er is lijden, er is afzien, maar daarna wordt het beter. Het hoeft niet per se goed te komen, het wordt anders: maar altijd gloort er licht aan de horizon. ‘Het kruis als symbool van lijden en dood zal verlossing brengen,’ schrijft filosoof Piet Winkelaar erover in Trouw (14 april 2017). ‘Het passieverhaal staat in onze cultuur symbool voor hoe mensen met hun lijden kunnen omgaan.’ Winkelaar meldt overigens, volkomen terecht, dat niet alleen dit verhaal ons wijst op de realiteit van lijden en dood. Ook Boeddha, Lao Tse, Socrates en vele anderen doen dit.

In dezelfde krant staat een interview met mijn lievelingspsychiater Dirk De Wachter, die stelt dat het eigenlijk elke dag een beetje Goede Vrijdag zou moeten zijn. ‘We lijken het lijden verleerd,‘ zegt hij. ‘De westerse samenleving creëert de illusie dat er geen lijden is. Ik noem dat de leukigheidscultuur. Je ziet het op Facebook, al die feestjes, de pretparkerigheid. Ik heb niets tegen mensen die zich amuseren, maar ik merk dat we het onvermijdelijke lijden ontkennen.’ De Wachter constateert dat er wel meer aandacht komt voor het lijden in het geseculariseerde Nederland: ‘Alsof er een barst zit in de leukigheidscultuur, dat het even oké is om naar Bach te luisteren.’ Die ene dag per jaar, Goede Vrijdag, is echter te weinig om bezig te zijn met lijden, vindt De Wachter. Er moet meer aandacht komen voor het lijden.

Maar hoe dan? Is het een idee om massaal ons verdriet op Facebook uit te storten? Ik vind van niet. Natuurlijk is het mooi als mensen op sociale media niet alleen de blije, maar ook de nare dingen van het leven  delen. Daarmee toon je je kwetsbaarheid. Maar je kunt ook koketteren met je ellende. Dat zie je bijvoorbeeld bij emo-tv: het verdriet van mensen wordt hier ingezet als vermaak. Zoals bij het jaarlijkse kijkcijferkanon The Passion. Het is te prijzen dat het paasverhaal door dit tv-programma bij een breed publiek bekend wordt. Maar wat heb ik altijd te doen met de mensen die, lopend naast het helverlichte witte kruis, huilend hun kommer en kwel met miljoenen sensatiebeluste kijkers delen. Voor dat moment lucht het misschien op, maar voor de lange termijn lijkt het me toch fijner als je je leed op een andere manier een plaats kunt geven. Net als De Wachter pleit ik ervoor om juist in de intimiteit van huiskamer of kroeg meer voor de dag te komen met onze eenzaamheid, ons verdriet en onze schaamte. Dit te delen met familie, geliefden of vrienden leidt heus niet meteen tot een oplossing. Maar wel tot herkenning en verlichting. Een lichtpuntje aan het eind van de lijdenstijd.

 

 

 

 

wij

‘Ik ga proberen te zeggen wie wij zijn. En dan bedoel ik niet ik, de schrijver en jij, de lezer. Maar het grote wij, dat reikt tot ver voorbij de muren van het huis, de trein, of het vliegtuig waarin je dit boek leest.’ Zo begint Wij van ‘stand-upfilosofe’ Laura van Dolron. Het boekje is de tekst van de gelijknamige theatervoorstelling waarmee de schrijfster door het land trok.

WIJ. Het is een lastig persoonlijk voornaamwoord. IK en JIJ zijn tenminste duidelijk. ZIJ en HIJ ook. Je weet meteen om wie het gaat. Met WIJ, JULLIE en ZIJ is dat lastiger – wie horen daar precies bij? WIJ heeft bovendien iets zelfingenomens. Iets arrogants. Of, zoals Laura van Dolron schrijft: ‘Wij. Er brandt een warm lichtje, er zoemen bijen omheen, maar er staat ook een hek dat dichtklapt. Afhankelijk van aan welke kant je staat, klinkt dat geluid afschuwelijk of geruststellend.’

Wij heeft inderdaad twee kanten. Een comfortabele en een beklemmende kant. Mensen zijn gezelschapsdieren: in een groep is het aangenaam en vertrouwd. Dat geldt ook voor liefdesrelaties. Jezelf de helft van een stel te weten geeft een warm en speciaal gevoel. Vertellen dat ‘we’ zaterdag naar de film zijn geweest klinkt prettiger dan ‘ik ging naar de bioscoop’. De laatste zin kan eenzaamheid impliceren: ‘Joh, ging je helemaal alleen?’ Een groep is veilig,  een groep is gezellig. ‘Alleen is maar alleen,’ wordt er vaak gezegd. Veel stelletjes hebben de neiging voortdurend in de wij-vorm praten, ook op momenten dat de ander zich niet aan hun zij bevindt. Alsof ze samen één entiteit zijn. Het lijkt erop dat het belangrijk is om te laten weten dat je iets niet in je eentje hebt meegemaakt. Als je een meervoud bent, neemt de waarde van een belevenis blijkbaar toe.

Jezelf onderdeel maken van een ‘wij’ heeft echter ook iets gemakzuchtigs. Je hoeft niet meer te opereren als individu. Je bent onderdeel van een geheel. Je hoeft niet meer zelf te denken; je kunt je verschuilen achter de mening van de groep. Terwijl die individuen met die unieke meningen elkaar juist zo goed kunnen aanvullen.  De groep wordt dan een team, geen eenheidsworst. ‘Wij’ kan ook een uitsluitmechanisme vormen: jij hoort er niet bij. Niet bij mij en mijn nieuwe partner. Niet bij mij en de mensen met wie ik in het verleden van alles beleefde. Niet bij onze politieke partij, onze wijk, onze voetbalclub. Niet bij ons land, niet bij ‘ons soort mensen’.

Maar wie ben je dan eigenlijk? Wie is die WIJ? Op die vraag antwoordt Laura aan het einde van het boek: ‘Wij zijn als de geliefde die het uitmaakt met de mededeling “Ik ga bij je weg om mezelf te vinden”. Dat werkt nooit. (…) Je krijgt alleen maar een nog grotere identiteitscrisis dan die je al had, omdat je die ene persoon wegstuurt in wie je jezelf zou kunnen vinden.’ Ze schrijft verder: ‘Wij verzetten ons tegen mensen die ons kunnen helpen met het vinden van onze verlangens, onze vragen, onze pijn. Die vinden we (…) door onszelf even te vergeten, in een stap dichterbij een ander mens en daardoor misschien een stap dichter bij onszelf.’ Met andere woorden: zoek de anderen op. Zij zijn het antwoord.

Ik werd soms helemaal kriegel van al het wij-gebruik in het boek. Neeee, voelde ik in al mijn vezels, ik ben ik, ik ben geen wij! Maar, zoals Laura schrijft, belangrijker dan de discussie ‘wij – zij’ of ‘wij – ik’ is het om de verbinding te zoeken. En daarbij hoeven ‘jij & ik’ wat mij betreft niet per se een ‘wij’ te worden.

 

 

 

 

niet negatief

Sinds 1 maart is schrijver Marnix Pauwels een maand lang niet negatief. Hij schrijft er  dagelijks blogs over en twittert over zijn ervaringen via  @nietnegatief. ‘Zowel on- als offline zal ik niemand afzeiken, bekritiseren of proberen te beschadigen. Ik zal niet klagen en niemand de maat nemen,’ heeft hij zich voorgenomen. Ik volg zijn blogs met interesse. En ik kan me er zó in vinden. Een ander nieuw twitteraccount is @tevredenlander, dat mensen ‘uitnodigt na te denken en te delen over waarover je tevreden bent in Nederland.’

Waarom spreken deze initiatieven me zo aan? In de eerste plaats vanwege het verfrissende tegengeluid. En in de tweede plaats omdat me een spiegel wordt voorgehouden. Want al ben ik een tamelijk blij ei, ik laat me in persoonlijke (WhatsApp-)discussies zo nu en dan verleiden tot bijna literair te noemen vilein proza – en ik schep er nog genoegen in ook. De blog ‘boze appjes’ van Marnix leek dan ook speciaal voor mij geschreven.

Op twitter, Facebookpagina’s en online nieuwssites geven mensen elkaar er vaak van langs. Onschuldige discussies kunnen er genadeloos uit de hand lopen omdat mensen hun gelijk willen halen. Heeft een politicus iets gezegd wat jou niet aanstaat? Daar worden de emmers vol drek op zijn of haar Facebookpagina omgekeerd. Zegt iemand iets onaardigs over jouw favoriete zanger / tv-held / schrijver / huisdier? Gevierendeeld moet hij worden, en wel direct. Zit je te wachten op een pakje dat niet op tijd bezorgd wordt? Hop, meteen gaat er een woedende tweet de wereld in. Internet is de perfecte uitlaatklep voor gefrustreerde lieden die het een uitdaging vinden anderen zo hard mogelijk te treffen. Heerlijk anoniem, zonder je af te vragen hoe kwetsend je uitingen kunnen zijn.

Minder schokkend, maar erg vermoeiend, is het eindeloze gejeremieer over de kleinste dingen. Maandagochtend, een regenbui, de verkiezingen, de uitslag van de verkiezingen, de formatie – iedereen doet er zijn of haar zegje over. En waarom eigenlijk? Wat maakt mopperen zo aantrekkelijk? Daar zijn drie redenen voor, vertelt geluksprofessor Patrick van Hees in een artikel op de site van de NOS. De negativity bias, vrijheid van meningsuiting en de invloed van politici en media. De aanleiding voor het artikel is de CBS-conclusie dat bijna 90% van de Nederlanders zich gelukkig voelt. En toch klagen we steen en been. Patrick van Hees stelt dat we zijn getraind om negatieve dingen eerder te zien dan positieve dingen, de negativity bias. Dit is een overlevingstechniek uit de oertijd. Ook zegt Van Hees dat er een overdreven focus is op het negatieve: als je in de media hoort dat iets fout gaat, worden deze klachten snel overgenomen.

Zelf denk ik dat klagen ook een gevoel van politieke correctheid of zelfs superioriteit kan geven: ‘Kijk mij eens kritisch nadenken’. ‘Ik ben het niet snel met iemand eens.’ Kritisch zijn is natuurlijk goed, je hoeft niet alles te pikken. En als een pakje niet bezorgd wordt is klagen alleen maar effectief; je hebt immers recht op dat product. Maar klagen om het klagen veroorzaakt een negatieve sfeer. En dat is wat initiatieven als  #nietnegatief en #tevredenlander proberen te doorbreken. Maar hoe dan? Door lief en aardig te zijn en alles over je heen te laten komen? Nee. Marnix geeft een paar tips in een van zijn eerste blogs: je hoeft niet altijd te reageren. Gun die ander het laatste woord. En niks is persoonlijk: als iemand je afzeikt, gaat het altijd over die ander.

Ik word er blij van. En het daagt me uit. Door me in te spannen niet negatief te zijn, doorbreek ik mijn vaste patronen. In een wereld waarin we soms overstelpt worden door narigheid klamp ik me vast aan dit soort lichtpuntjes.